Art. 23 Verordening (EG) nr. 2200/96
1. Telersverenigingen of groeperingen van telersverenigingen kunnen voor in artikel 1 vermelde produkten die zij bepalen, besluiten de door hun leden aangevoerde produkten in door hen passend geachte hoeveelheden en perioden niet te koop aan te bieden.
2. Ingevolge lid 1 uit de markt genomen produkten krijgen een door de telersverenigingen of groeperingen van telersverenigingen te bepalen bestemming die de normale afzet van de betrokken produktie niet in de weg staat en het milieu, en met name de water- en landschapskwaliteit, eerbiedigt.
3. In geval van toepassing van lid 1 betalen de telersverenigingen of de groeperingen daarvan aan hun leden voor alle in bijlage II genoemde produkten die aan de normen voldoen, en voor ten hoogste 10 % van de in de handel gebrachte hoeveelheid, de ingevolge artikel 26 vast te stellen communautaire ophoudvergoeding.
Het in de eerste alinea vastgestelde maximum van 10 % van de in de handel gebrachte hoeveelheid van elk produkt geldt alleen voor de leden van de betrokken telersvereniging of, bij toepassing van artikel 11, lid 1, onder b), een andere telersvereniging, exclusief de op grond van artikel 24 uit de markt genomen hoeveelheden.
4. Het in lid 3 op 10 % vastgestelde maximum geldt vanaf het zesde verkoopseizoen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening. In de vijf verkoopseizoenen van de overgangsperiode mag niet meer uit de markt worden genomen dan de volgende percentages van de in de handel gebrachte produktie als bepaald volgens de procedure van artikel 46: respectievelijk 50 % in het eerste verkoopseizoen, 45 % in het tweede verkoopseizoen, 40 % in het derde verkoopseizoen, 30 % in het vierde verkoopseizoen en 20 % in het vijfde verkoopseizoen.
Voor citrusvruchten zijn deze percentages evenwel voor het eerste verkoopseizoen 35 %, voor het tweede 30 %, voor het derde 25 %, voor het vierde 20 % en voor het vijfde 15 %.
Het bepaalde in lid 3, tweede alinea, is op dit lid van toepassing.
5. Het in de leden 3 en 4 genoemde percentage van 10 % is een gemiddelde over een periode van drie jaar; dit percentage mag voor een bepaald jaar niet met meer dan 3 % stijgen.
6. Voor appelen en peren wordt het in de leden 3, 4 en 5 en in artikel 24 bedoelde maximum van 10 % vervangen door 8,5 %.
Voor meloenen en watermeloenen geldt het maximum van 10 % vanaf het verkoopseizoen 1997/1998.