Art. 5 Richtlijn 96/23/EG
1. De Lid-Staten leggen de Commissie uiterlijk op 30 juni 1997 een plan voor met de nationale maatregelen die tijdens het aanloopjaar ten uitvoer moeten worden gelegd, alsmede, later, de eventuele aanpassingen van de voorheen overeenkomstig artikel 8 goedgekeurde plannen, op basis van de ervaring tijdens het voorgaande jaar of de voorgaande jaren, zulks uiterlijk op 31 maart van het jaar waarop deze aanpassingen betrekking hebben.
2. Het in lid 1 bedoelde plan moet:
a) voorzien in de opsporing van de groepen residuen of stoffen naar gelang van de diersoort, overeenkomstig bijlage II;
b) met name aangeven welke maatregelen gelden voor de opsporing van de aanwezigheid van:
i) de onder a) bedoelde stoffen in de dieren, alsmede in het drinkwater van die dieren en op alle plaatsen waar die dieren worden opgefokt of gehouden;
ii) residuen van de bovengenoemde stoffen in levende dieren en in de excreta en biologische vloeistoffen, alsmede in weefsels en produkten van dierlijke oorsprong, zoals vlees, melk, eieren en honing;
c) de in de bijlagen III en IV vastgestelde voorschriften voor niveaus en frequentie van de monsternemingen in acht nemen.