Art. 4 Verordening (EG) nr. 3295/94
Wanneer het voor het douanekantoor, bij een controle in het kader van een van de in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde douaneprocedures en voordat een verzoek van de houder van het recht is ingediend of ingewilligd, duidelijk is dat het nagemaakte of door piraterij verkregen goederen betreft, kan de douaneautoriteit, volgens de in de betrokken Lid-Staat geldende voorschriften, de houder van het recht, voor zover bekend, op de hoogte stellen van het gevaar van overtreding. In dat geval is de douaneautoriteit gemachtigd de vrijgave op te schorten of de betrokken goederen gedurende drie werkdagen tegen te houden, teneinde de houder van het recht in staat te stellen een verzoek om optreden overeenkomstig artikel 3 in te dienen.