Art. 7 Verordening (EG) nr. 3295/94
1. Indien het in artikel 6, lid 1, bedoelde douanekantoor tien werkdagen na de kennisgeving van de opschorting van de vrijgave of de tegenhouding niet van de inschakeling van de autoriteit die overeenkomstig artikel 6, lid 2, bevoegd is ten principale te beschikken, in kennis is gesteld, noch bericht heeft ontvangen dat de hiertoe bevoegde autoriteit conservatoire maatregelen heeft genomen, worden de goederen, indien alle douaneformaliteiten zijn vervuld en de tegenhouding is opgeheven, vrijgegeven.
In passende gevallen kan deze termijn met maximaal tien werkdagen worden verlengd.
2. Voor zover het goederen betreft waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een recht met betrekking tot een tekening of model kan de eigenaar, de importeur of de geadresseerde van de goederen tegen zekerheidstelling vrijgave of opheffing van de tegenhouding van de betrokken goederen verkrijgen, op voorwaarde dat:
- de in artikel 6, lid 1, bedoelde douanedienst of het aldaar bedoelde douanekantoor binnen de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde termijn op de hoogte is gesteld van de inschakeling van de in artikel 6, lid 1, bedoelde, voor de beschikking ten principale bevoegde autoriteit;
- bij het verstrijken van die termijn, de daartoe aangewezen autoriteit geen conservatoire maatregelen heeft uitgevaardigd, en
- alle douaneformaliteiten zijn vervuld.
De zekerheid moet voldoende zijn om de belangen van de houder van het recht te beschermen. Het stellen van die zekerheid doet geen afbreuk aan de overige rechtsmiddelen die de houder van het recht ter beschikking staan. Indien de zaak anders dan op initiatief van de houder van het recht op een tekening of een model is voorgelegd aan de autoriteit die bevoegd is om ten principale te beschikken, wordt deze zekerheid vrijgegeven wanneer genoemde houder binnen een termijn van twintig werkdagen vanaf de dag dat hem van de opschorting van de vrijgave, respectievelijk van de tegenhouding is kennisgegeven van zijn recht tot het aanspannen van een geding geen gebruik heeft gemaakt. In de gevallen waarin lid 1, tweede alinea, wordt toegepast, kan deze termijn op maximaal dertig werkdagen worden gebracht.
3. Elke Lid-Staat stelt vast onder welke voorwaarden de goederen waarvan de vrijgave is opgeschort of die zijn tegengehouden, worden opgeslagen.