Art. 3 Verordening (EG) nr. 3295/94
1. In elke Lid-Staat kan de houder van het recht de onder de douaneautoriteit ressorterende dienst schriftelijk verzoeken ervoor te zorgen dat de douaneautoriteiten optreden wanneer de goederen in een situatie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), verkeren.
2. Het in lid 1 bedoelde verzoek moet de volgende elementen bevatten:
- een voldoende nauwkeurige beschrijving van de goederen aan de hand waarvan de douaneautoriteiten deze kunnen herkennen;
- stukken waaruit blijkt dat de indiener van het verzoek voor de betrokken goederen houder van het recht is.
De houder van het recht dient bovendien alle andere dienstige inlichtingen te verstrekken waarover hij beschikt om de bevoegde douanedienst in staat te stellen met kennis van zaken op het verzoek te beschikken, met dien verstande dat verstrekking van deze gegevens geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het verzoek vormt.
Wat door piraterij verkregen goederen betreft, worden ter indicatie en voor zover mogelijk de volgende gegevens verstrekt:
- de plaats waar deze goederen zich bevinden of de plaats waarnaar zij zullen worden vervoerd;
- de identificatie van de zending of van de colli;
- de geplande datum van aankomst of van vertrek van de goederen;
- het gebruikte vervoermiddel;
- de identiteit van de importeur, de exporteur of de houder.
3. In het verzoek moet de periode worden aangegeven gedurende welke om optreden van de douaneautoriteiten wordt verzocht.
4. Van de verzoeker kan worden verlangd voor de in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte administratieve kosten een vergoeding te betalen. Het bedrag van deze vergoeding moet in verhouding staan tot de verleende dienst.
5. De bevoegde douanedienst waarbij overeenkomstig lid 2 een verzoek wordt ingediend, neemt dit verzoek in behandeling en stelt de verzoeker onverwijld schriftelijk in kennis van zijn beschikking.
Wanneer de autoriteit het verzoek inwilligt, stelt zij de periode vast gedurende welke de douaneautoriteiten zullen optreden. Deze periode kan door de dienst die de oorspronkelijke beschikking heeft genomen, op verzoek van de houder van het recht worden verlengd.
De afwijzing van het verzoek dient met redenen omkleed te zijn en is vatbaar voor beroep.
6. Wanneer het verzoek van de houder van het recht ingewilligd is of wanneer er krachtens artikel 6, lid 1, is opgetreden overeenkomstig artikel 1, lid 1, onder a), kunnen de Lid-Staten eisen dat de houder van het recht een zekerheid stelt, die bestemd is om:
- zijn eventuele aansprakelijkheid te dekken jegens de betrokkenen bij een in artikel 1, lid 1, onder a), bedoeld optreden indien de op grond van artikel 6, lid 1, ingeleide procedure geen gevolg heeft wegens het handelen of nalaten van de houder van het recht of indien naderhand mocht worden vastgesteld dat de betrokken goederen niet zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen;
- de betaling te waarborgen van de kosten die overeenkomstig deze verordening zijn gemaakt om de goederen met toepassing van artikel 6 onder douanetoezicht te houden.
7. De houder van het recht dient, indien zijn recht niet meer geldig is geregistreerd of is verlopen, de in lid 1 bedoelde dienst daarvan in kennis te stellen.
8. De Lid-Staten wijzen de onder de douaneautoriteit ressorterende dienst aan die bevoegd is het in dit artikel bedoelde verzoek in ontvangst en in behandeling te nemen.