Art. 5 Verordening (EEG) nr. 2847/93, Overeenkomstig de procedure van artikel 36 kunnen nadere bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 2, 3 en 4 worden vastgesteld. Deze bepalingen betreffen met name
a) de middelen ter identificatie van de officieel aangestelde inspecteurs, van de inspectievaartuigen of van andere soortgelijke hulpmiddelen die door een Lid-Staat bij de inspectie kunnen worden gebruikt;
b) de door inspecteurs en door kapiteins van vissersvaartuigen te volgen procedure, wanneer een inspecteur aan boord van een vissersvaartuig wil gaan;
c) de door inspecteurs die aan boord van een vissersvaartuig zijn gegaan bij de inspectie van dat vaartuig, het vistuig of de vangsten te volgen procedure;
d) het door de inspecteurs na elke inspectie aan boord van een vissersvaartuig op te maken verslag;
e) de merktekens en andere middelen ter identificatie van de vissersvaartuigen en het vistuig;
f) de certificering van de kenmerken van vissersvaartuigen die verband houden met de uitoefening van visserijactiviteiten;
g) de registratie van de gegevens die verband houden met de positie van de vissersvaartuigen en het doorzenden van deze gegevens aan de Lid-Staten en aan de Commissie;
h) de regeling die voor onder de vlag van een derde land varende vissersvaartuigen geldt inzake melding van de verplaatsingen en van de visserijprodukten die aan boord zijn.