Art. 10 Verordening (EEG) nr. 2847/93

Verordening (EEG) nr. 2847/93

1. a) Op vissersvaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in een derde land en die visserijactiviteiten mogen uitvoeren in de maritieme wateren onder soevereiniteit of jurisdictie van een Lid-Staat, moet een logboek worden bijgehouden waarin de in artikel 6 genoemde gegevens worden vermeld.

b) Iedere Lid-Staat ziet erop toe dat de kapitein van een vissersvaartuig dat de vlag voert van of geregistreerd is in een derde land, of diens gemachtigde, bij aanvoer bij de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de aanvoerplaatsen gebruikt een aangifte indient voor de juistheid waarvan in de eerste plaats de kapitein of diens gemachtigde verantwoordelijk is en waarin de aangevoerde hoeveelheden, alsmede de datum en de plaats van elke vangst worden vermeld.

c) De kapitein van een vissersvaartuig dat de vlag voert van of geregistreerd is in een derde land deelt de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de aanvoerplaatsen wenst te gebruiken ten minste 72 uur tevoren zijn tijd van aankomst in de aanvoerhaven mee.

Hij mag niet lossen als de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving niet hebben bevestigd.

De Lid-Staten stellen voor het bepaalde onder dit punt c) nadere uitvoeringsbepalingen vast, die de Commissie ter kennis worden gebracht.

2. Overeenkomstig de procedure van artikel 36 kan de Commissie bepaalde categorieën vissersvaartuigen uit derde landen gedurende een beperkte en verlengbare periode vrijstellen van de in lid 1, onder c), vermelde verplichting of voorzien in een andere meldingstermijn, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de afstand tussen de visgronden, de aanvoerplaatsen en de havens waar de betrokken vaartuigen zijn geregistreerd of op een lijst zijn vermeld.

3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 geldt onverminderd de bepalingen in visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en bepaalde derde landen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen