Art. 8 Verordening (EEG) nr. 2847/93
1. De kapitein van een vissersvaartuig uit de Gemeenschap met een totale lengte van 10 meter of meer, of zijn gemachtigde, dient telkens na een visreis binnen 48 uur na de aanvoer een aangifte in bij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de aanvoer plaatsvindt. De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de aangifte, waarop ten minste de hoeveelheden worden vermeld die van elke in artikel 6, lid 2, bedoelde soort zijn aangevoerd, alsmede de vangstplaats.
2. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie besluiten de in lid 1 vermelde verplichting uit te breiden tot vaartuigen met een totale lengte van minder dan 10 meter. Ook kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie besluiten vrijstellingen van de in lid 1 vermelde verplichting te verlenen voor bepaalde categorieën vaartuigen met een totale lengte van 10 meter of meer die specifieke visserijactiviteiten uitoefenen.
3. Elke Lid-Staat oefent steekproefsgewijs controles uit op de activiteiten van vissersvaartuigen die vrijgesteld zijn van de verplichtingen van lid 1, ten einde erop toe te zien dat deze vaartuigen de geldende communautaire voorschriften naleven.
Hiertoe werkt elke Lid-Staat een bemonsteringsregeling uit en zendt deze toe aan de Commissie. De resultaten van de uitgevoerde controles worden op gezette tijden aan de Commissie meegedeeld.
4. De nadere regels voor de tenuitvoerlegging van dit artikel worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 36.