Art. 360 Verordening (EEG) nr. 2454/93
Wanneer goederen, ingevoerd in de Gemeenschap vanuit derde landen, vervoerd worden onder dekking van de regeling extern communautair douanevervoer en het voorwerp vormen van een bijzondere inlichting betreffende een buitengewoon risico tot fraude, met name in het kader van de toepassing van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad (11), dienen de douaneadministraties van de Lid-Staten in overeenstemming met de Commissie bijzondere maatregelen te nemen ten einde de toepassing van de doorlopende zekerheid tijdelijk te verbieden.
(11) PB nr. L 144 van 2. 6. 1981, blz. 1.
De beslissing om gebruikmaking van een doorlopende zekerheid te verbieden, welke genomen is door de douaneadministratie van een Lid-Staat, is ook van toepassing ten aanzien van de douaneadministraties van de overige Lid-Staten.
De douaneadministraties van de Lid-Staten houden elkaar op de hoogte van beslissingen welke genomen zijn met toepassing van dit artikel en stellen tevens de Commissie in kennis.
Na verloop van zes maanden bepaalt de Commissie of de genomen maatregelen al dan niet dienen te worden verlengd.