Art. 356 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. De goederen worden, onder overlegging van het document T 1, aan het kantoor van bestemming aangebracht.

2. Het kantoor van bestemming vermeldt op de exemplaren van het document T 1 de resultaten van de verrichte controle, zendt onverwijld een exemplaar terug naar het kantoor van vertrek en behoudt het andere exemplaar.

3. Het communautair douanevervoer kan bij een ander dan het in het document T 1 genoemde kantoor eindigen. Dit kantoor wordt dan kantoor van bestemming.

4. De door het kantoor van vertrek vastgestelde termijn waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht, is bindend voor de douaneautoriteiten van de landen over het grondgebied waarvan het communautair douanevervoer geschiedt en mag door deze niet worden gewijzigd.

5. Wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn aan het kantoor van bestemming worden aangebracht en het niet naleven van deze termijn te wijten is aan omstandigheden welke ten genoegen van het kantoor van bestemming kunnen worden aangetoond en die niet zijn toe te schrijven aan de vervoerder of de aangever, wordt deze laatste geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen