Art. 266 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Ten einde de douaneautoriteiten in staat te stellen de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, dient de houder van de in artikel 263 bedoelde vergunning, zodra de goederen in de daartoe aangewezen plaatsen zijn aangekomen,
a) de douaneautoriteiten in de vorm en op de wijze die door hen zijn vastgesteld, van deze aankomst kennis te geven ten einde de vrijgave van de goederen te verkrijgen;
b) de goederen in zijn administratie in te schrijven. Deze inschrijving kan worden vervangen door iedere andere door de douaneautoriteiten vastgestelde formaliteit die overeenkomstige waarborgen biedt. De inschrijving moet de datum waarop zij plaatsvindt, alsmede de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevatten;
c) alle documenten die in voorkomend geval moeten worden overgelegd als voorwaarde voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van goederen, ter beschikking van de douaneautoriteiten te houden.
2. Voor zover dit geen gevolgen heeft voor de controle op de regelmatigheid van de handelingen, kunnen de douaneautoriteiten:
a) toestaan dat de in lid 1, onder a), bedoelde kennisgeving wordt gedaan zodra de aankomst van de goederen wordt verwacht;
b) in bepaalde, door de aard van de betrokken goederen en de snelle opeenvolging van de verrichtingen gerechtvaardigde bijzondere omstandigheden, de vergunninghouder ontslaan van de verplichting iedere aankomst van goederen ter kennis te brengen van de bevoegde douanedienst, mits hij aan deze dienst alle inlichtingen verstrekt die deze noodzakelijk acht om in voorkomend geval zijn recht om de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, te kunnen uitoefenen.
In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven zodra zij in de administratie van de belanghebbende zijn ingeschreven.