Art. 5 Verordening (EEG) nr. 2082/93, Toepassingsgebied en inhoud

Verordening (EEG) nr. 2082/93

1. Onder voorbehoud van de in dit artikel gegeven richtsnoeren worden de in het kader van de doelstellingen 1 tot en met 4 en 5 b) ingediende plannen opgesteld op het geografische niveau dat het meest geschikt wordt geacht. Zij worden uitgewerkt door de door de Lid-Staat aangewezen nationale, regionale of andere bevoegde autoriteiten en worden door de Lid-Staat bij de Commissie ingediend.

Plannen in het kader van doelstelling 1 dienen in de regel een regio van het niveau II van NUTS (nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek) te bestrijken. Uit hoofde van artikel 8, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 kunnen de Lid-Staten evenwel een plan indienen voor verscheidene van hun regio's die op de in lid 2 van dat artikel bedoelde lijst zijn opgenomen, mits dat plan de in de eerste alinea van genoemd lid 4 bedoelde elementen omvat.

Plannen in het kader van de doelstellingen 2 en 5 b) dienen in de regel een of meer zones van het niveau III van NUTS te bestrijken.

De Lid-Staten mogen plannen indienen die een groter gebied dan de in aanmerking komende regio's of zones bestrijken, op voorwaarde dat onderscheid wordt gemaakt tussen acties in die regio's of zones en acties daarbuiten.

2. Regionale ontwikkelingsplannen voor de regio's van doelstelling 1 omvatten alle maatregelen voor de omschakeling van in verval geraakte industriegebieden en de plattelandsontwikkeling, alle maatregelen voor de aanpassing van de landbouw- en visserijstructuur, alsmede alle maatregelen inzake werkgelegenheid en beroepsopleiding uit hoofde van doelstelling 1 en eventueel die uit hoofde van de doelstellingen 3 en 4.

De plannen voor regionale en sociale omschakeling van doelstelling 2 en de plannen voor plattelandsontwikkeling van doelstelling 5 b) omvatten eveneens alle werkgelegenheids- en beroepsopleidingsmaatregelen, met uitzondering van die welke in de plannen van de doelstellingen 3 en 4 zijn opgenomen.

In de plannen van de doelstellingen 3 en 4 wordt onderscheid gemaakt tussen uitgaven voor de regio's van de doelstellingen 1, en zo mogelijk, 2 en 5 b) en die voor de andere regio's.

In hun plannen vermelden de Lid-Staten de elementen die aan de onderscheiden Fondsen eigen zijn, inclusief het bedrag van de gevraagde steun. Zij kunnen hun plannen vergezeld doen gaan van de aanvragen om bijstand voor de operationele programma's en voor de andere vormen van bijstandsverlening ten einde de behandeling van de aanvragen en de bijstandsverlening te bespoedigen.

De Lid-Staten kunnen de voor ieder plan vereiste inlichtingen als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10 en 11 bis van Verordening (EEG) nr. 2052/88 en de uit hoofde van artikel 14, lid 2, vereiste inlichtingen samenvoegen in één enkel programmeringsdocument.

3. De Lid-Staten zorgen bij het opstellen van de plannen voor samenhang tussen de plannen voor een zelfde doelstelling binnen een Lid-Staat en tussen die voor verscheidene doelstellingen voor een zelfde geografische zone.

4. De Lid-Staten dragen er bij het opstellen van hun plannen zorg voor dat rekening wordt gehouden met het communautaire beleid.