Art. 25 Verordening (EEG) nr. 2082/93, Toezicht

Verordening (EEG) nr. 2082/93

1. In het kader van het partnerschap zorgen de Commissie en de Lid-Staten voor een doeltreffend toezicht op het gebruik van de bijstand van de Fondsen in het kader van het communautaire bestek en de specifieke acties (programma's en dergelijke). Dit toezicht geschiedt door middel van verslagen, die volgens een in onderlinge overeenstemming vastgestelde procedure worden opgesteld, van steekproefcontroles en van daartoe ingestelde comités.

2. Bij het toezicht wordt gebruik gemaakt van materiële en financiële indicatoren, die in de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van de betrokken acties worden bepaald. De indicatoren hebben betrekking op het specifieke karakter van de betrokken actie, de doelstellingen en de vorm van de bijstandsverlening, alsmede op de sociaal-economische en structurele situatie van de Lid-Staat waar de bijstand moet worden verleend. Deze indicatoren moeten zodanig opgezet zijn dat ze voor de betrokken acties een duidelijk beeld geven van:

- de vordering van de actie en van de binnen een bepaalde termijn te verwezenlijken doelstellingen;

- het verloop van het beheer en de eventuele problemen die zich daarbij kunnen voordoen.

3. De toezichtcomités worden, in het kader van het partnerschap, krachtens een overeenkomst tussen de betrokken Lid-Staat en de Commissie ingesteld.

De Commissie en, in voorkomend geval, de EIB kunnen zich in deze comités laten vertegenwoordigen.

4. Voor iedere meerjarenactie zendt de daartoe door de Lid-Staat aangewezen autoriteit de Commissie uiterlijk zes maanden na afloop van ieder volledig jaar van tenuitvoerlegging een voortgangsrapport. Na voltooiing van de actie wordt binnen zes maanden een eindverslag aan de Commissie gezonden.

Over iedere actie met een duur van minder dan twee jaar dient de daartoe door de Lid-Staat aangewezen autoriteit binnen zes maanden na de voltooiing bij de Commissie een verslag in.

5. Indien nodig past het Toezichtcomité, zonder het totale bedrag van de toegekende communautaire bijstand te wijzigen en binnen per doelstelling geharmoniseerde grenzen, de oorspronkelijk goedgekeurde toekenningsvoorwaarden van de financiële bijstand aan, alsmede, met inachtneming van de beschikbare financiële middelen en de begrotingsvoorschriften, het voorgenomen financieringsplan, met inbegrip van eventuele overdrachten tussen communautaire financieringsbronnen en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van de hoogte van de bijstandsverlening. De bovengenoemde per doelstelling geharmoniseerde grenzen worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de in titel VIII bedoelde procedure en opgenomen in de communautaire bestekken.

Deze wijzigingen worden de Commissie en de betrokken Lid-Staat onmiddellijk ter kennis gebracht. Zij zijn van toepassing na bevestiging door de Commissie en de betrokken Lid-Staat; deze bevestiging vindt plaats binnen twintig werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, waarvan de datum door de Commissie met een ontvangstbewijs wordt gecertificeerd.

De overige wijzigingen worden door de Commissie in samenwerking met de betrokken Lid-Staat vastgesteld na advies van het Toezichtcomité.

6. Ten einde de doelmatigheid van de Fondsen te vergroten, zal de Commissie erop toezien dat speciale aandacht wordt besteed aan de doorzichtigheid in het beheer ervan.

Daartoe en in het kader van de toepassing van de communautaire voorschriften inzake overheidsopdrachten worden in de berichten die bestemd zijn voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, de referenties vermeld van de projecten waarvoor tot communautaire bijstand is besloten of waarvoor communautaire bijstand is aangevraagd.

7. Indien deze verordening of de in artikel 3, lid 4, en artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 2052/88 bedoelde verordeningen bepalen dat de Commissie nadere uitvoeringsbepalingen zal vaststellen, worden deze uitvoeringsbepalingen meegedeeld aan de Lid-Staten en bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.