Art. 16 Verordening (EEG) nr. 2082/93, Specifieke bepalingen

Verordening (EEG) nr. 2082/93

1. Bij de toekenning van globale subsidies moeten de bemiddelende instanties die door de betrokken Lid-Staat in overleg met de Commissie worden aangewezen, passende solvabiliteitsgaranties geven en over de noodzakelijke administratieve capaciteit beschikken voor het beheer van de door de Commissie beoogde bijstand. De bemiddelende instanties worden tevens uitgekozen op grond van de bijzondere toestand in de Lid-Staten of de betrokken zones. Onverminderd artikel 23 wordt het beheer van de globale subsidies gecontroleerd door de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde autoriteiten.

2. De Fondsen kunnen financiële bijstand verlenen voor grote projecten, dit wil zeggen projecten waarvan de totale kosten die voor de vaststelling van de communautaire bijstand in aanmerking worden genomen als algemene regel meer dan 25 miljoen ecu voor infrastructuurinvesteringen of 15 miljoen ecu voor produktieve investeringen bedragen.

3. Naast een met de bijstand van de onderscheiden Fondsen verbonden analoge bijstand kan de Commissie studies en technische bijstand financieren in verband met het gezamenlijk of gecooerdineerd gebruik van de Structuurfondsen, de EIB en de andere financieringsinstrumenten, tot een bedrag ten belope van 0,3 % van de totale toewijzing van de Fondsen:

- om de opstelling van de plannen voor te bereiden;

- om het effect en de doelmatigheid van de steun die in het kader van de overeenkomstige communautaire bestekken is verleend, te beoordelen;

- in verband met geïntegreerde operationele programma's.