Art. 14 Richtlijn 93/22/EEG
1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de beleggingsdiensten en de andere diensten die genoemd zijn in deel C van de bijlage, op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 17, 18 en 19, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het vrij verrichten van diensten, door iedere beleggingsonderneming waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere Lid-Staat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, mits deze diensten onder de vergunning vallen.
Deze richtlijn laat onverlet de bevoegdheden van de Lid-Staten van ontvangst ten aanzien van de rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die niet vallen onder Richtlijn 85/611/EEG (14).
2. De Lid-Staten mogen de vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten als bedoeld in lid 1, niet afhankelijk stellen van een vergunning, noch onderwerpen aan de verplichting eigen kapitaal te verschaffen of aan maatregelen van gelijke werking.
3. Een Lid-Staat mag voorschrijven dat de transacties met betrekking tot de diensten als bedoeld in lid 1 op een gereglementeerde markt worden verricht wanneer zij aan alle hieronder vermelde criteria voldoen:
- de belegger heeft zijn gewone verblijfplaats in deze Lid-Staat of is er gevestigd;
- de beleggingsonderneming verricht de transactie hetzij via een hoofdvestiging of een bijkantoor in deze Lid-Staat hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten in deze Lid-Staat;
- de transactie betreft een instrument dat op een gereglementeerde markt van deze Lid-Staat verhandeld wordt.
4. Wanneer een Lid-Staat lid 3 toepast, verleent hij de beleggers die in deze Lid-Staat hun gewone verblijfplaats hebben of er gevestigd zijn, het recht om af te wijken van de krachtens lid 3 opgelegde verplichting en de in lid 3 bedoelde transacties buiten een gereglementeerde markt te laten verrichten. De Lid-Staten kunnen de uitoefening van dit recht afhankelijk stellen van een uitdrukkelijke machtiging, rekening houdend met de uiteenlopende behoeften aan bescherming van de beleggers en met name het vermogen van professionele en institutionele beleggers om hun belangen optimaal te behartigen. Deze machtiging moet in ieder geval kunnen worden gegeven onder voorwaarden die de prompte uitvoering van de opdrachten van de belegger niet in het geding brengen.
5. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 1998 verslag uit over de werking van het bepaalde in de leden 3 en 4, en doet in voorkomend geval wijzigingsvoorstellen.