Art. 1 Richtlijn 93/22/EEG
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. "beleggingsdienst": iedere in deel A van de bijlage genoemde dienst die betrekking heeft op een van de in deel B van de bijlage genoemde instrumenten en verricht wordt voor derden;
2. "beleggingsonderneming": iedere rechtspersoon wiens gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten van beleggingsdiensten voor derden.
Voor de toepassing van deze richtlijn kunnen de Lid-Staten in het begrip "beleggingsonderneming" ook ondernemingen opnemen die geen rechtspersoon zijn,
- wanneer het voor die ondernemingen geldende rechtssysteem aan derden een gelijkwaardige bescherming van hun belangen waarborgt als door een rechtspersoon wordt geboden, en
- mits die ondernemingen onderworpen zijn aan een gelijkwaardig prudentieel toezicht, dat aan hun rechtsstructuur aangepast is.
Wanneer deze natuurlijke personen echter diensten verrichten die het houden van geld of effecten van derden met zich brengen, mogen zij voor de toepassing van deze richtlijn alleen als een beleggingsonderneming worden beschouwd, indien zij, onverminderd de overige in deze richtlijn en in Richtlijn 93/6/EEG vastgestelde eisen, voldoen aan de volgende voorwaarden:
- de eigendomsrechten van derden ten aanzien van de hun toebehorende waardepapieren en gelden moeten zijn gevrijwaard, met name in geval van insolventie van de onderneming of haar eigenaars, of van beslaglegging, schuldvergelijking of andere rechtsmiddelen, aangewend door de schuldeisers van de onderneming of van haar eigenaars;
- de beleggingsonderneming moet onderworpen zijn aan voorschriften die tot doel hebben toezicht te houden op de solvabiliteit van de onderneming en van haar eigenaars;
- de jaarrekening van de beleggingsonderneming moet worden gecontroleerd door een of meer personen die krachtens de nationale wetgeving bevoegd zijn rekeningen te controleren;
- wanneer een onderneming slechts één eigenaar heeft, moet deze maatregelen nemen ter bescherming van de beleggers in geval van beëindiging van de activiteiten van de onderneming ten gevolge van zijn overlijden, onbekwaamheid of andere vergelijkbare omstandigheden.
De Commissie brengt vóór 31 december 1997 verslag uit over de toepassing van de tweede en derde alinea van dit punt en stelt zo nodig voor deze te wijzigen of te schrappen.
Wanneer een persoon een activiteit verricht als bedoeld in deel A, punt 1, onder a), van de bijlage en deze activiteit uitsluitend wordt uitgeoefend voor rekening en onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van een beleggingsonderneming, wordt die activiteit als activiteit van de beleggingsonderneming zelf, en niet van die persoon aangemerkt;
3. "kredietinstelling": kredietinstelling zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG (7), met uitsluiting van instellingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, van die richtlijn;
4. "effecten":
- aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren
- obligaties en andere schuldinstrumenten
die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, en
- alle andere gewoonlijk verhandelde waardepapieren waarmee die effecten via inschrijving of omruiling kunnen worden verworven of die in contanten worden afgewikkeld;
- met uitsluiting van betaalmiddelen;
5. "geldmarktinstrumenten": de categorieën instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld;
6. "Lid-Staat van herkomst":
a) ingeval de beleggingsonderneming een natuurlijke persoon is, de Lid-Staat waar deze persoon zijn hoofdkantoor heeft;
b) ingeval de beleggingsonderneming een rechtspersoon is, de Lid-Staat waar haar statutaire zetel is gelegen, of indien zij overeenkomstig haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de Lid-Staat waar haar hoofdkantoor is gelegen;
c) ingeval het een markt betreft, de Lid-Staat waar de statutaire zetel is gelegen van het orgaan dat instaat voor het verloop van de handel of, indien het overeenkomstig zijn nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de Lid-Staat waar zijn hoofdkantoor is gelegen;
7. "Lid-Staat van ontvangst": de Lid-Staat waar de beleggingsonderneming een bijkantoor heeft of diensten verricht;
8. "bijkantoor": een bedrijfszetel die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beleggingsonderneming en die beleggingsdiensten verricht waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft gekregen; verscheidene bedrijfszetels in een zelfde Lid-Staat van een beleggingsonderneming met hoofdkantoor in een andere Lid-Staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;
9. "bevoegde autoriteiten": de autoriteiten die elke Lid-Staat krachtens artikel 22 aanwijst;
10. "gekwalificeerde deelneming": het rechtstreeks of middellijk bezitten van een deelneming in een beleggingsonderneming van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming waarin wordt deelgenomen.
Voor de toepassing van deze definitie in het kader van de artikelen 4 en 9, en van de andere in artikel 9 bedoelde deelnemingspercentages, worden de stemrechten, bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG (8), in aanmerking genomen;
11. "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG (9);
12. "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
13. "gereglementeerde markt": markt van de in deel B van de bijlage genoemde financiële instrumenten,
- opgenomen in de in artikel 16 bedoelde lijst, opgesteld door de Lid-Staat die de Lid-Staat van herkomst is in de zin van artikel 1, punt 6, onder c);
- regelmatig werkend;
- gekenmerkt door het feit dat in door de bevoegde autoriteiten opgestelde of goedgekeurde bepalingen de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de markt zijn vastgelegd, alsmede, wanneer Richtlijn 79/279/EEG van toepassing is, de bij die richtlijn vastgestelde voorwaarden voor toelating tot de notering, en wanneer die richtlijn niet van toepassing is, de voorwaarden waaraan deze financiële instrumenten moeten voldoen om daadwerkelijk op de markt verhandeld te kunnen worden;
- die alle verplichtingen oplegt inzake melding en doorzichtigheid welke op grond van de artikelen 20 en 21 zijn voorgeschreven;
14. "zeggenschap": zeggenschap in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG.