Art. 19 Richtlijn 93/22/EEG

Richtlijn 93/22/EEG

1. De Lid-Staten van ontvangst kunnen voor statistische doeleinden verlangen dat elke beleggingsonderneming die een bijkantoor op hun grondgebied heeft, aan hun bevoegde autoriteiten een periodiek verslag over de op hun grondgebied verrichte werkzaamheden zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens het voeren van het monetair beleid op hen rustende verantwoordelijkheden, onverminderd de ter versterking van het Europees Monetair Stelsel vereiste maatregelen, mogen de Lid-Staten van ontvangst op hun grondgebied van alle bijkantoren van beleggingsondernemingen van herkomst uit andere Lid-Staten dezelfde gegevens verlangen als zij voor dat doel van hun eigen nationale ondernemingen verlangen.

2. Voor de uitoefening van de krachtens deze richtlijn op hen rustende verantwoordelijkheden mogen de Lid-Staten van ontvangst van de bijkantoren van beleggingsondernemingen dezelfde gegevens verlangen als zij voor dat doel van hun eigen nationale ondernemingen verlangen.

De Lid-Staten van ontvangst mogen van de beleggingsondernemingen die op hun grondgebied in het kader van dienstverrichting werkzaam zijn, de nodige gegevens verlangen voor het toezicht op de naleving door deze ondernemingen van de op hen van toepassing zijnde normen van de Lid-Staten van ontvangst; van die ondernemingen mogen echter niet méér gegevens verlangd worden dan deze Lid-Staten voor het toezicht op de naleving van diezelfde normen verlangen van de aldaar gevestigde ondernemingen.

3. Indien de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst constateren dat een beleggingsonderneming die op het grondgebied van hun Lid-Staat een bijkantoor heeft of diensten verricht, niet de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen naleeft welke in die Lid-Staat zijn vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken beleggingsonderneming een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.

4. Indien de betrokken beleggingsonderneming niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst daarvan in kennis. Deze laatste treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken beleggingsonderneming een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. Van de strekking van deze maatregelen wordt mededeling gedaan aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst.

5. Indien de beleggingsonderneming, in weerwil van de aldus door de Lid-Staat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of de Lid-Staat geen maatregelen treft, inbreuk blijft plegen op de in lid 2 bedoelde, in de Lid-Staat van ontvangst geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, kan de Lid-Staat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen; zo nodig kan hij deze onderneming beletten op zijn grondgebied nieuwe transacties te verrichten. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de beleggingsondernemingen kunnen worden betekend.

6. Bovenstaande bepalingen laten de bevoegdheid van de Lid-Staten van ontvangst onverlet om passende maatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van handelingen op hun grondgebied die in strijd zijn met de gedragsregels die krachtens artikel 11 zijn aangenomen, alsook met de overige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij om redenen van algemeen belang hebben vastgesteld. Met name kunnen zij een inbreukplegende beleggingsonderneming beletten nieuwe transacties op hun grondgebied te verrichten.

7. Elke ter uitvoering van de leden 4, 5 en 6 genomen maatregel die sancties of beperkingen van de werkzaamheden van een beleggingsonderneming behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken beleggingsonderneming worden medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de Lid-Staat die de maatregel heeft genomen, beroep open bij de rechter.

8. Alvorens de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde procedure toe te passen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst in spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die noodzakelijk zijn ter bescherming van de belangen van beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken Lid-Staten moeten zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte worden gesteld.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de belanghebbende Lid-Staten, besluiten dat de betrokken Lid-Staat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken.

9. Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen om de betrokken beleggingsonderneming te beletten op hun grondgebied nieuwe transacties te verrichten en om de belangen van de beleggers te vrijwaren. Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit aan een comité dat later op het gebied van effecten zal worden ingesteld.

10. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 17 een weigering is uitgesproken of waarin overeenkomstig lid 5 maatregelen zijn genomen. Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit aan een comité dat later op het gebied van effecten zal worden ingesteld.