Art. 17 Richtlijn 93/22/EEG

Richtlijn 93/22/EEG

1. Benevens de in artikel 3 genoemde verplichtingen stelt een beleggingsonderneming die op het grondgebied van een andere Lid-Staat een bijkantoor wenst te vestigen, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst daarvan in kennis.

2. De Lid-Staten verlangen dat de beleggingsonderneming die een bijkantoor in een andere Lid-Staat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens:

a) de Lid-Staat op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

b) een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c) het adres in de Lid-Staat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;

d) de namen van de bestuurders van het bijkantoor.

3. Tenzij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen hebben om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van de beleggingsonderneming, doen zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst en stellen zij de betrokken beleggingsonderneming hiervan in kennis.

Tevens doen zij mededeling van gegevens betreffende eventuele garantiestelsels die gericht zijn op de bescherming van de beleggers van het bijkantoor.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst weigeren de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst, delen zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken beleggingsonderneming. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de Lid-Staat van herkomst.

4. Voordat het bijkantoor van een beleggingsonderneming met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikken de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 3 bedoelde mededeling, om het in artikel 19 bedoelde toezicht op de beleggingsonderneming voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden, met inbegrip van de gedragsregels, aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de Lid-Staat van ontvangst moeten worden uitgeoefend.

5. Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst is binnengekomen of, wanneer deze niet reageren, zodra de in lid 4 bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.

6. In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig lid 2, onder b), c) en d), verstrekte gegevens, stelt de beleggingsonderneming de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst en van de Lid-Staat van ontvangst schriftelijk van de betreffende wijziging in kennis, zulks tenminste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst zich overeenkomstig lid 3, en de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst zich overeenkomstig lid 4, kunnen uitspreken.

7. Eventuele wijzigingen in de gegevens waarvan overeenkomstig lid 3, tweede alinea, mededeling is gedaan, worden door de autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst aan de autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst gemeld.