Art. 6 Verordening (EEG) nr. 2328/91
1. De in artikel 5 bedoelde steunregeling kan betrekking hebben op investeringen die zijn gericht op:
- verbetering van de kwaliteit en omschakeling van de produktie op basis van de eisen van de markt,
- diversificatie van de bedrijfsactiviteiten, met name door toeristische en ambachtelijke activiteiten of de produktie en de verkoop op het bedrijf van produkten van het bedrijf,
- aanpassing van het bedrijf om de produktiekosten te drukken en energie te besparen,
- verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden,
- verbetering van de hygiëne in de veehouderijen, naleving van de communautaire normen inzake het welzijn van de dieren of, bij gebreke daarvan, van nationale normen tot aan het vaststellen van communautaire normen,
- bescherming en verbetering van het milieu.
2. Toekenning van de in lid 1 bedoelde investeringssteun kan worden uitgesloten of beperkt wanneer deze investeringen leiden tot een hogere produktie op het bedrijf van produkten waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden bestaan.
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de noodzakelijke maatregelen vast en omschrijft met name de produkten in de zin van de eerste alinea.
3. Onder voorbehoud van latere, krachtens lid 2 genomen, andersluidende besluiten mag de in lid 1 bedoelde steun niet worden verleend voor investeringen in de sector van de melkproduktie die leiden tot overschrijding van de referentiehoeveelheid die overeenkomstig de voor de sector melk en zuivelprodukten geldende extraheffingsregeling is vastgesteld, behalve wanneer vooraf een extra referentiehoeveelheid is toegekend overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (12), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1630/91 (13), of via overdracht is verkregen overeenkomstig artikel 7, lid 1, van dezelfde verordening.
In dit geval wordt de steun slechts toegekend indien de investering niet tot gevolg heeft dat het aantal melkkoeien tot meer dan 40 per VAK en tot meer dan 60/koeien per bedrijf stijgt of, indien het bedrijf over meer dan 1,5 VAK beschikt, nïet tot gevolg heeft dat het aantal melkkoeien met meer dan 15 % stijgt.
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van Verordening (EEG) nr. 857/84 de na het verstrijken van de verordening geldende voorwaarden vast voor het toekennen van de steun aan investeringen die leiden tot een verhoging van de melkproduktie.
4. Onder voorbehoud van latere, krachtens lid 2 genomen andersluidende besluiten wordt de in lid 1 bedoelde steun voor investeringen in de varkenshouderij die tot een verhoging van de produktiecapaciteit leiden, beperkt wat aanvragen betreft die vóór 1 januari 1987 zijn ingediend, tot investeringen waarmee het aantal plaatsen voor mestvarkens tot 500 en, wat aanvragen betreft die tussen 1 januari 1987 en 31 maart 1988 werden ingediend, tot investeringen waarmee dat aantal tot 400 per bedrijf kan worden verhoogd.
Voor aanvragen die na 31 maart 1988 en vóór 1 januari 1991 werden ingediend, wordt het aantal varkensplaatsen dat mag worden bereikt en dat voor de in lid 1 bedoelde steun in aanmerking komt, op 300 per bedrijf vastgesteld. Bovendien wordt de steun slechts toegekend op voorwaarde dat na de uitvoering van de investeringen het totale aantal varkensplaatsen op het bedrijf niet meer dan 800 bedraagt.
Een plaats voor een fokzeug komt overeen met 6,5 plaatsen voor mestvarkens.
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen uiterlijk op 31 december 1990 de regeling vast die geldt voor vanaf 1 januari 1991 ingediende aanvragen.
Indien de Raad op die datum geen besluit heeft genomen, wordt de toekenning van de steun voor investeringen die tot een verhoging van de produktiecapaciteit leiden, geschorst.
Voorts wordt, wanneer een verbeteringsplan in investeringen in de varkenshouderij voorziet, voor deze investering slechts steun toegekend indien na uitvoering van het plan ten minste het equivalent van 35 % van het door de varkens verbruikte voeder op het bedrijf kan worden geproduceerd.
5. Onder voorbehoud van latere, krachtens lid 2 genomen andersluidende besluiten wordt de in lid 1 bedoelde steun voor investeringen in de rundvleessector, met uitzondering van maatregelen ter bescherming van het milieu, uitsluitend toegekend aan veehouderijen met, aan het einde van het plan, niet meer dan drie grootvee-eenheden (hierna GVE genoemd) per hectare voor de voedering van die runderen bestemde totale oppervlakte voedergewassen. De tabel voor de omrekening in GVE staat in bijlage I.
Tot en met 31 december 1991 wordt deze limiet van 3 GVE echter niet toegepast wanneer het bewijs wordt geleverd dat in een vergroting van de produktiecapaciteit niet is voorzien. De Commissie onderzoekt vóór deze datum de toepassing van deze bepaling en brengt aan de Raad een verslag uit.
6. De in lid 1 bedoelde steun kan in geen geval worden toegekend voor de sector eieren en pluimvee.