Art. 2 Verordening (EEG) nr. 2328/91

Verordening (EEG) nr. 2328/91

1. De Lid-Staten voeren een steunregeling in ter bevordering van het uit produktie nemen van bouwland.

2. Al het bouwland, ongeacht de aard van het produkt

dat erop is geteeld, komt in aanmerking voor de steun, op voorwaarde dat het gedurende een nader te bepalen referentieperiode effectief is bebouwd. Grond die is gebruikt voor teelten waarvoor geen gemeenschappelijke marktordening geldt, is van de regeling uitgesloten.

3. Het uit produktie genomen bouwland moet ten minste 20 % van de oppervlakte van het in lid 2 bedoelde bouwland van het betrokken bedrijf uitmaken. Het land mag gedurende een periode van ten minste vijf jaar, met mogelijkheid tot opzegging van de verbintenis na drie jaar, niet worden bebouwd, dat wil zeggen dat het:

- braak moet blijven liggen, met mogelijkheid van vruchtwisseling,

- moet worden bebost of

- voor andere doeleinden dan de landbouw moet worden gebruikt.

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de grond landbouwkundig in goede staat blijft. Deze maatregelen kunnen het bedrijfshoofd de verplichting opleggen de aan de produktie onttrokken landbouwgrond te onderhouden met het oog op de milieubescherming en het behoud van de natuurlijke hulpbronnen.

De Lid-Staten kunnen voor hun gehele grondgebied of een deel ervan toestaan dat het uit produktie genomen bouwland wordt gebruikt:

a) voor beweiding ten behoeve van extensieve veeteelt;

b)

voor de teelt van linzen, kekers en wikke.

De in de derde alinea bedoelde machtiging wordt beperkt tot een periode van drie jaar, ingaande op 30 april 1988. Vóór afloop van deze periode dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de toepassing van deze mogelijkheid.

4. De Lid-Staten kunnen een regeling vaststellen met betrekking tot specifieke steun voor het gebruik van bouwland voor niet-voedingsdoeleinden, onder welke doeleinden wordt verstaan de vervaardiging, in de Gemeenschap, van produkten die niet voor consumptie door mens of dier zijn bestemd.

In het kader van de steunregeling komen in aanmerking:

- degenen die steun ontvangen in het kader van de in lid 1 bedoelde regeling, op voorwaarde dat het uit produktie genomen bouwland ten minste 30 % van het bouwland van het betrokken bedrijf uitmaakt.

- bouwland op het bedrijf, waarvoor een verbintenis tot het uit produktie nemen van bouwland is aangegaan, tot

- ten hoogste 50 % van de uit produktie genomen oppervlakte, op voorwaarde dat het met graan wordt ingezaaid en dat de gehele graanproduktie van de betrokken grond voor niet-voedingsdoeleinden wordt bestemd.

Producenten komen slechts voor specifieke steun in aanmerking indien zij een met een verwerkende onderneming gesloten contract overleggen dat het gebruik van de betrokken produkten voor niet-voedingsdoeleinden binnen de Gemeenschap garandeert.

Indien een groep landbouwers overeenkomt om op basis van een contract aan één enkele verwerkende onderneming te leveren en op voorwaarde dat het uit de produktie genomen bouwland ten minste 40 % van het totaal aan bouwland bedraagt en over het geheel genomen voldoet aan de in de tweede alinea, tweede streepje, gestelde eis, dan geldt het ten opzichte van het in lid 3, eerste alinea, bedoelde minimumpercentage bijkomende percentage van 20 of meer voor de groep in haar geheel in plaats van voor elke landbouwer afzonderlijk.

Contracten die betrekking hebben op partijen waarvoor de in artikel 11 bis van Verordening (EEG) nr. 2727/75 bedoelde produktierestitutie of de in artikel 11 ter van die verordening bedoelde steun wordt toegekend, geven geen recht op specifieke steun.

De specifieke steun wordt betaald voor de duur van het contract voor een periode van ten hoogste vijf jaar vanaf de eerste levering aan de verwerkende onderneming ingevolge de overeenkomst.

Een jaar na de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de regeling door de Lid-Staten dient de Commissie een verslag in bij het Europese Parlement en de Raad. Indien zulks nodig wordt geacht dient de Commissie bij die gelegenheid een voorstel tot wijziging van de regeling in ten einde deze doeltreffender te maken, rekening houdend met de reacties van landbouwers en verwerkers, de economische levensvatbaarheid en het milieueffect van de regeling, de eventuele problemen met het toezicht, in het bijzonder met betrekking tot bijprodukten, en eventuele andere relevante aspecten. Tegelijkertijd gaat de Commissie in het licht van de resultaten van de demonstratieprojecten na of de regeling kan worden uitgebreid tot andere produkten dan granen.

5. De Lid-Staten stellen vast:

a) het bedrag van de uit te keren steun per hectare uit produktie genomen grond, met inachtneming van het uit de onttrekking van de grond aan de produktie voortvloeiende inkomensverlies, met dien verstande dat enerzijds het steunbedrag toereikend moet zijn om het nodige effect te sorteren en anderzijds overcompensatie moet worden voorkomen. Zij stellen tevens vast waarin de steun wordt betaald. Het maximumbedrag van de steun wordt vastgesteld op 606 ecu per hectare en per jaar, het minimumbedrag op 100 ecu per hectare en per jaar. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 30 het maximumbedrag bij wijze van uitzondering op 700 ecu per hectare en per jaar vaststellen.

Wanneer van de in lid 3, derde alinea, bedoelde mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt het steunbedrag aangepast om rekening te houden met het geringere inkomensverlies.

De in lid 4 bedoelde per hectare te betalen specifieke steun wordt bepaald overeenkomstig de in de eerste alinea vastgestelde criteria. Het maximum bedraagt 70 % van het in de eerste alinea vermelde steunbedrag. Voor de betrokken grond komt de specifieke steun in de plaats van de steun voor het uit produktie nemen;

b)

de in lid 2 bedoelde referentieperiode;

c)

de verbintenis die de begunstigde moet aangaan, met name om te kunnen nagaan of op het gehele bedrijf de bebouwde oppervlakte werkelijk is beperkt.

6. Producenten die voor de uit produktie genomen grond steun als bedoeld in deze titel ontvangen, kunnen voor diezelfde grond niet in aanmerking komen voor steun bedoeld in de titels II en III.

7. Producenten die ten minste 30 % van hun bouwland uit produktie nemen, worden voor een hoeveelheid van 20 ton vrijgesteld van de in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2727/75 bedoelde medeverantwoordelijkheidsheffing en de in artikel 4 ter, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2727/75 bedoelde extra medeverantwoordelijkheidsheffing.

Een individuele landbouwer of een groep landbouwers, die in aanmerking komt voor de in lid 4 bedoelde specifieke steun en die ten minste 40 % van zijn bouwland uit de produktie terugtrekt in het kader van het uit de produktie nemen, komt in aanmerking voor vrijstelling van de medeverantwoordelijkheidsheffingen voor de gehele hoeveelheid granen die wordt geleverd aan de verwerkende industrie. Deze vrijstelling sluit de eventuele toepassing van de in de eerste alinea bedoelde vrijstelling niet uit.

De uitvoeringsbepalingen in verband met deze vrijstelling worden vastgesteld volgens de procedure van de artikelen 4 en 4 ter van Verordening (EEG) nr. 2727/75.

8. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 30 de bepalingen ter uitvoering van deze titel vast, met name:

- de uit produktie te nemen minimumoppervlakte;

- de bij toepassing van de in lid 3, derde alinea, bedoelde mogelijkheid in acht te nemen maximale veedichtheid per hectare weiland en de op de steun toe te passen korting bedoeld in lid 5, onder a), tweede alinea;

- de bij de vaststelling van de steun door de Lid-Staten aan te houden criteria;

- de criteria voor de bepaling van de begunstigde en de vaststelling van de in lid 2 bedoelde referentieperiode;

- de speciale uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van de in lid 4 bedoelde specifieke steun, en met name de bepalingen inzake de uitgesloten vormen van gebruik, de ten aanzien van de bijprodukten op te leggen beperkingen, het uitgavenplafond, de minimumoppervlakten die voor de steun in aanmerking kunnen komen, de leveringscontracten, de controles met inbegrip van die op de verwerkende onderneming indien daartoe aanleiding bestaat, en de sancties die moeten worden gesteld op het niet nakomen van verplichtingen.

9. De Lid-Staten nemen de vereiste maatregelen om te waarborgen dat aan de mogelijkheden van de steunregeling de nodige bekendheid wordt gegeven.

Vorige artikelen

Volgende artikelen