Art. 5 Verordening (EEG) nr. 2328/91

Verordening (EEG) nr. 2328/91

1. De Lid-Staten stellen, ten einde tot een verbetering van het landbouwinkomen en van de levens-, werk- en produktieomstandigheden op de landbouwbedrijven bij te dragen, uit hoofde, van de gemeenschappelijke actie bedoeld in artikel 1, een steunregeling in voor investeringen in landbouwbedrijven, waarvan het bedrijfshoofd:

a) de landbouw als hoofdberoep uitoefent.

De Lid-Staten kunnen de in de artikelen 5 tot en met 9 bedoelde steunregeling evenwel laten gelden voor landbouwbedrijfshoofden die, zonder hoofdberoepslandbouwer te zijn, ten minste 50 % van hun totale inkomen verkrijgen uit activiteiten op het gebied van landbouw, bosbouw, toerisme, ambachtsnijverheid of door de overheid gesubsidieerde activiteiten voor landschapsinstandhouding, die op hun bedrijf worden verricht, zonder dat evenwel het inkomen dat rechtstreeks uit de landbouwactiviteit op het bedrijf wordt verkregen, minder dan 25 % van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en de aan activiteiten buiten het bedrijf bestede arbeidstijd meer dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt;

b)

over voldoende vakbekwaamheid beschikt;

c)

een plan voor de verbetering van zijn bedrijf indient. In dit plan moet met een specifieke berekening worden aangetoond dat de investeringen in het licht van de toestand en opzet van het bedrijf gerechtvaardigd zijn en dat de uitvoering van dit plan tot een duurzame verbetering van deze toestand zal leiden en met name van het arbeidsinkomen per volle arbeidskracht (hierna VAK genoemd) op het bedrijf, dan wel nodig is om het arbeidsinkomen per VAK op het bestaande peil te handhaven;

d)

zich ertoe verplicht een vereenvoudigde boekhouding te voeren, die ten minste het volgende behelst:

- het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken,

- het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.

Voor de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 75/268/EEG aangewezen probleemgebieden mogen evenwel Spanje, Griekenland, Italie, wat de Mezzogiorno met inbegrip van de eilanden betreft, en Portugal, voor zijn gehele grondgebied, verbeteringsplannen accepteren die tot en met 31 december 1991 worden ingediend door bedrijven die niet aan de in dit punt bedoelde voorwaarden voldoen, mits er op het bedrijf ten hoogste voor één VAK werk is en de beoogde investeringen niet meer dan 25 000 ecu bedragen.

2. De in lid 1 bedoelde steunregeling geldt uitsluitend voor landbouwbedrijven:

- waarvan het arbeidsinkomen per VAK lager is dan het in lid 3 bedoelde referentie-inkomen,

- waarvan het in lid 1, onder c), bedoelde verbeteringsplan geen arbeidsinkomen voorziet dat meer bedraagt dan 120 % van dit referentie-inkomen.

Bovendien kunnen de Lid-Staten de in lid 1 bedoelde steunregeling tot gezinsbedrijven in de landbouw beperken.

3. De Lid-Staten stellen het in lid 2 bedoelde referentie-inkomen vast op een peil dat niet hoger mag liggen dan het gemiddelde brutoloon van de niet-agrarische werknemers in het betrokken gebied.

4. Het in lid 1 bedoelde verbeteringsplan behelst ten minste:

- een beschrijving van de begintoestand,

- een beschrijving van de toestand bij de voltooiing van het plan, opgesteld op basis van een voorlopige begroting,

- een opgave van de maatregelen, en met name van de investeringen die worden beoogd.

5. De Lid-Staten definiëren het begrip "bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw" voor de toepassing van deze verordening.

Voor natuurlijke personen behelst deze definitie ten minste de voorwaarde dat het inkomen uit het landbouwbedrijf 50 % of meer van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en dat de aan werkzaamheden buiten het bedrijf bestede arbeidstijd minder dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt.

Met inachtneming van de in de tweede alinea aangegeven criteria definiëren de Lid-Staten dit begrip voor andere dan natuurlijke personen.

6. Voorts stellen de Lid-Staten de criteria vast die in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling van de vakbekwaamheid van het bedrijfshoofd, gelet op zijn opleidingsniveau als landbouwer en/of op een minimumduur aan beroepservaring.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen