Art. 20 Verordening (EEG) nr. 2328/91
1. In de in artikel 17, lid 1, bedoelde gebieden mogen de Lid-Staten steun toekennen voor collectieve investeringen voor de produktie, opslag en distributie van voedergewassen, alsmede voor de verbetering en de uitrusting van gezamenlijk geëxploiteerde weiden en, in bergstreken, voor collectieve of individuele investeringen met betrekking tot watertoevoerpunten, wegen die rechtstreeks toegang geven tot weidegronden en bergweiden, en schuilplaatsen voor de kudden.
Wanneer evenwel de veeteelt in deze gebieden een marginale activiteit uitmaakt, wordt de in de eerste alinea bedoelde steun uitgebreid tot andere landbouwactiviteiten.
2. Wanneer dit economisch verantwoord is, mogen de in lid 1 bedoelde werkzaamheden kleinschalige landbouwwaterwerken omvatten die verenigbaar zijn met de bescherming van het milieu, met inbegrip van kleine irrigatiewerken, alsmede de bouw of het herstel van schuilplaatsen die onmisbaar zijn voor het verweiden van de kudden.
3. Van de in lid 1 bedoelde steun komt niet meer dan 100 293 ecu per collectieve investering, 501,4 ecu per hectare verbeterde of uitgeruste gewone weide of bergweide en 5 000 ecu per geïrrigeerde hectare in aanmerking voor financiering uit het Fonds.