Art. 18 Verordening (EEG) nr. 2328/91
1. Wanneer de Lid-Staten een compenserende vergoeding toekennen, komen daarvoor in aanmerking de bedrijfshoofden die ten minste drie hectare cultuurgrond exploiteren en de verbintenis aangaan om gedurende ten minste vijf jaar na de eerste betaling van een compenserende vergoeding een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen die beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 1 van Richtlijn 75/268/EEG. Het bedrijfshoofd kan van deze verbintenis worden ontslagen, indien hij zijn landbouwactiviteit beëindigt en verdere exploitatie van de betrokken oppervlakten gewaarborgd is; hij wordt van deze verbintenis ontslagen in geval van overmacht en met name in geval van onteigening of aankoop ten algemenen nutte. Voorts wordt het bedrijfshoofd van deze verbintenis ontslagen wanneer hij een ouderdomspensioen ontvangt.
Voor de Mezzogiorno, met inbegrip van de eilanden, voor de gebieden in de Franse overzeese departementen en voor de Spaanse, Griekse en Portugese gebieden wordt de minimumoppervlakte cultuurgrond per bedrijf evenwel vastgesteld op twee hectare.
2. De uitgaven voor de compenserende vergoeding komen evenwel niet in aanmerking voor vergoeding door het Fonds krachtens artikel 31 wanneer de betrokken landbouwer een ouderdomspensioen ontvangt.
3. De Lid-Staten mogen voor de toekenning van de compenserende vergoeding aanvullende of beperkende voorwaarden vaststellen, zulks ook ten behoeve van de toepassing van methoden die met de vereisten inzake milieubescherming en instandhouding van het landschap verenigbaar zijn.