Art. 19 Verordening (EEG) nr. 2328/91
1. De Lid-Staten stellen het bedrag van de compenserende vergoeding vast naar gelang van de omvang van de permanente natuurlijke belemmeringen voor de landbouwactiviteit en binnen de hieronder genoemde grenzen, zonder dat deze vergoeding evenwel minder dan 20,3 ecu per GVE of, in voorkomend geval, in de in artikel 3 van Richtlijn 75/268/EEG omschreven gebieden, minder dan 20,3 ecu per hectare kan bedragen.
a) Wat de rundvee-, schapen- en geitenteelt en de teelt van eenhoevigen betreft, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal gehouden dieren. De vergoeding mag evenwel niet meer dan 102 ecu per GVE bedragen. Het totaalbedrag van de toegekende vergoeding mag 102 ecu per hectare totale oppervlakte voedergewassen van het bedrijf niet te boven gaan. De tabel voor de omrekening van runderen, eenhoevingen, schapen en geiten in GVE is in bijlage I opgenomen.
In agrarische probleemgebieden waar bijzonder ernstige permanente, in de natuur gelegen nadelen zulks rechtvaardigen, mag de toegekende vergoeding echter op 121,5 ecu per GVE en per hectare worden gesteld.
De vergoeding mag slechts worden toegekend voor 1,4 GVE per hectare totale oppervlakte voedergewassen van het bedrijf.
Koeien waarvan de melk bestemd is voor verhandeling, kunnen slechts voor de berekening van de vergoeding in aanmerking worden genomen in de in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 75/268/EEG omschreven gebieden, alsmede in de in artikel 3, leden 4 en 5, van deze richtlijn omschreven gebieden waar de melkproduktie een belangrijk deel van de produktie van de bedrijven uitmaakt.
Wanneer de Lid-Staten van deze mogelijkheid gebruik maken in de in artikel 3, leden 4 en 5, van genoemde richtlijn omschreven gebieden, mogen per bedrijfshoofd niet meer dan 20 melkkoeien voor de berekening van de vergoeding in aanmerking worden genomen.
b)
Wat andere teelten dan de rundvee-, de schapen- en geitenteelt en de teelt van eenhoevigen betreft, wordt de vergoeding berekend aan de hand van de oppervlakte cultuurgrond, verminderd met de oppervlakte voor diervoedergewassen en
iii) voor alle agrarische probleemgebieden, verminderd met het tarweareaal:
- behalve de oppervlakte voor de verbouw van durum tarwe in gebieden die niet tot de in Verordening (EEG) nr. 3103/76 van de Raad van 16 december 1976 betreffende de steun voor durum tarwe (14), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1216/89 (15), bedoelde gebieden behoren;
- behalve de oppervlakte voor de verbouw van zachte tarwe in gebieden met een gemiddelde opbrengst van zachte tarwe van niet meer dan 2,5 ton per hectare;
iii)
voor alle agrarische probleemgebieden, verminderd met de oppervlakte aaneengesloten aanplantingen van appel-, pere- en perzikbomen boven 0,5 hectare per bedrijf;
iii) Voor de in artikel 3, leden 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG bedoelde agrarische probleemgebieden, verminderd met de oppervlakte die wordt gebruikt voor druiven voor de produktie van wijn met uitzondering van wijngaarden met een opbrengst van niet meer dan 20 hectoliter per hectare, de produktie van suikerbieten en intensieve teelten.
De vergoeding mag niet meer bedragen dan 102 ecu per hectare. In agrarische probleemgebieden waarin bijzonder ernstige, permanente, natuurlijke handicaps zulks rechtvaardigen, mag het totale bedrag van de toegekende vergoeding echter worden gebracht op 121,5 ecu per hectare.
c)
De Lid-Staten kunnen het bedrag van de compenserende vergoeding differentiëren aan de hand van de economische situatie van het bedrijf en het inkomen van het bedrijfshoofd dat de compenserende vergoeding ontvangt. Het bedrag van de vergoeding kan eveneens worden gedifferentieerd op grond van het gebruik van met de vereisten inzake milieubescherming en instandhouding van het landschap verenigbare landbouwmethoden, echter zonder dat eventuele verhogingen gecumuleerd kunnen worden met de steun als bedoeld in artikel 21.
2. Het staat de Lid-Staten vrij de compenserende vergoeding niet toe te kennen voor het geheel of een gedeelte van de produktievormen die in aanmerking kunnen komen voor de in lid 1, onder b), bedoelde maatregel.
3. Het maximumbedrag dat voor financiering uit het Fonds in aanmerking komt, is beperkt tot het equivalent van 120 eenheden per bedrijf, ongeacht of het grootvee-eenheden (GVE) of oppervlakte-eenheden (ha) betreft; voorts wordt boven het equivalent van de eerste 60 eenheden het maximumbedrag dat per GVE of per hectare voor financiering in aanmerking komt, verlaagd tot de helft van het maximumbedrag van de in lid 1 bedoelde vergoeding.