Art. 25 Verordening (EEG) nr. 2328/91

Verordening (EEG) nr. 2328/91

1. De Lid-Staten kunnen steun voor de bebossing van landbouwgrond verlenen aan landbouwers, daaronder begrepen de landbouwers aan wie steun als bedoeld in titel I van deze verordening of steun als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1096/88 van de Raad van 25 april 1988 tot instelling van een communautaire regeling ter bevordering van de bedrijfsbeëindiging in de landbouw (;), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3808/89 ($), wordt verleend.

De bebossingssteun kan ook worden toegekend aan alle andere personen en aan bosbouwverenigingen of -cooeperaties of gemeenschappen die landbouwgrond bebossen.

2. De Lid-Staten kunnen aan landbouwers die voldoen aan het bepaalde in artikel 5, lid 1, onder a), steun verlenen voor investeringen ter verbetering van beboste oppervlakten, zoals de aanleg van windsingels, brandstroken, bluswatervoorzieningen en wegen voor bosexploitatie.

3. De kosten om landbouwmachines aan te passen voor boswerkzaamheden maken deel uit van de in de leden 1 en 2 bedoelde investeringen.

4. De uitgaven die de Lid-Staten werkelijk ter uitvoering van de leden 1 en 2 doen, komen voor financiering uit het Fonds in aanmerking binnen de grenzen van de volgende maximaal in aanmerking komende bedragen:

- 1 824 ecu per hectare voor bebossingen,

- 702 ecu per hectare voor de verbetering van beboste oppervlakten en voor de aanleg van windsingels,

- 1 404 ecu per hectare voor het herstel en de verbetering van kurkboomgaarden (bossen van kurkeiken),

- 18 053 ecu per kilometer voor boswegen,

- 150,4 ecu per hectare waarvoor brandstroken en bluswatervoorzieningen worden aangelegd.

Wanneer een Lid-Staat daartoe een met redenen omkleed verzoek indient, kan de Commissie, met inachtneming van de op de begroting beschikbare middelen, volgens de procedure van artikel 30 besluiten tot verhoging van de maximumbedragen voor bebossingen, voor verbetering van beboste oppervlakten en voor het herstel en de verbetering van kurkboomgaarden, tot een maximum van respectievelijk 3 000, 1 200 en 3 000 ecu.

(;) PB nr. L 110 van 29. 4. 1988, blz. 1.

($) PB nr. L 371 van 20. 12. 1989, blz. 1.

Vorige artikelen

Volgende artikelen