Art. 8 Richtlijn 91/439/EEG
1. Indien de houder van een door een Lid-Staat afgegeven geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere Lid-Staat heeft overgebracht, kan hij om inwisseling van zijn rijbewijs tegen een gelijkwaardig rijbewijs verzoeken; de Lid-Staat die tot inwisseling overgaat, moet in voorkomend geval nagaan of de geldigheidsduur van het overgelegde rijbewijs niet is verstreken.
2. Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de Lid-Staat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere Lid-Staat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.
3. De Lid-Staat die tot inwisseling overgaat, zendt het oude rijbewijs terug naar de autoriteiten van de Lid-Staat die het heeft afgegeven en vermeldt de redenen van die procedure.
4. Een Lid-Staat kan, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van de in lid 2 bedoelde maatregelen is getroffen, weigeren de geldigheid van een door een andere Lid-Staat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.
Een Lid-Staat kan eveneens weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager tegen wie in een andere Lid-Staat een dergelijke maatregel is getroffen.
5. Een rijbewijs dat met name verloren of gestolen is, kan worden vervangen door de bevoegde autoriteiten van de Staat waar de houder zijn gewone verblijfplaats heeft; die autoriteiten vervangen het rijbewijs aan de hand van de gegevens die zij bezitten of, in voorkomend geval, op grond van een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat die het aanvankelijke rijbewijs heeft afgegeven.
6. Wanneer een Lid-Staat een door een derde land afgegeven rijbewijs inwisselt tegen een rijbewijs van Europees model, wordt daarvan op laatstgenoemd rijbewijs, alsook bij iedere latere verlenging of vervanging, melding gemaakt.
Inwisseling is slechts mogelijk, indien het door een derde land afgegeven rijbewijs is ingeleverd bij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat. Indien de houder van dat rijbewijs zijn normale verblijfplaats naar een andere Lid-Staat overbrengt, kan deze laatste besluiten artikel 1, lid 2, van deze richtlijn niet toe te passen.