Art. 5 Richtlijn 91/439/EEG

Richtlijn 91/439/EEG

1. De afgifte van het rijbewijs hangt van de volgende voorwaarden af:

a)het rijbewijs voor de categorieën C en D kan slechts worden afgegeven aan bestuurders die reeds bevoegd zijn voor categorie B;

b)het rijbewijs voor de categorieën B+E, C+E en D+E kan slechts worden afgegeven aan bestuurders die reeds bevoegd zijn voor respectievelijk categorie B, C of D.

2. De geldigheid van het rijbewijs wordt als volgt vastgesteld:

a)het rijbewijs voor de categorieën C+E of D+E is ook geldig voor het besturen van samenstellen van categorie B+E;

b)het rijbewijs voor categorie C+E is ook geldig voor categorie D+E, indien de houder reeds bevoegd is voor categorie D.

3. Voor het verkeer op hun grondgebied kunnen de Lid-Staten de volgende rijbewijzen gelijkwaardig verklaren:

a)een rijbewijs van categorie A of A1, voor gemotoriseerde drie- en vierwielers;

b)een rijbewijs van categorie B, voor lichte motorrijwielen.

4. De Lid-Staten kunnen, na raadpleging van de Commissie, machtiging verlenen voor het besturen op hun grondgebied van:

a)voertuigen van categorie D1 (met ten hoogste zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en een maximaal toegestane massa van 3 500 kg, gespecialiseerde inrichtingen voor het vervoer van gehandicapte passagiers daaronder niet begrepen), door bestuurders van ten minste 21 jaar die sedert ten minste twee jaar houder zijn van een rijbewijs van categorie B, op voorwaarde dat de betrokken voertuigen voor sociale doeleinden door niet-commerciële organisaties worden gebruikt en dat zij door vrijwilligers worden bestuurd;

b)voertuigen met een maximaal toegestane massa van meer dan 3 500 kg, door bestuurders van ten minste 21 jaar die sedert ten minste twee jaar houder zijn van een rijbewijs van categorie B, op voorwaarde dat de betrokken voertuigen hoofdzakelijk bestemd zijn stilstaand te worden gebruikt voor opleidings- of recreatiedoeleinden, dat zij voor sociale doeleinden door niet-commerciële organisaties worden gebruikt, dat zij zodanig zijn verbouwd dat zij niet kunnen worden gebruikt voor het vervoer van meer dan negen personen, noch voor het vervoer van allerlei goederen, behalve die welke strikt noodzakelijk zijn voor het beoogde gebruik.