Conclusie A-G Aben 18 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY6906
Art. 197 Sr. 1. Beroep op overmacht. 2. Richtlijn 2008/115/EG (terugkeerrichtlijn). Ad 1. HR herhaalt toepasselijke overweging m.b.t. art. 61 Vreemdelingenwet 2000 uit HR LJN BF8848. Het Hof heeft de verwerping van het verweer doen steunen op zijn oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte al hetgeen redelijkerwijze van haar mocht worden verwacht in het werk heeft gesteld teneinde te voldoen aan de op haar rustende verplichting om Nederland te verlaten. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR 21 mei 2013, LJN BY3151. V.zv. de middelen berusten op de opvatting dat het Hof na het verstrijken van de implementatietermijn van de richtlijn art. 197 (oud) Sr geheel buiten toepassing had moeten laten en het dus ten onrechte strafbaarheid o.g.v. deze bepaling heeft aangenomen, falen ze, nu die opvatting onjuist is. De klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de terugkeerrichtlijn op grond van art. 2.2ahf.b van de richtlijn toepassing mist in een geval als het onderhavige waarin de rechtsplicht van de verdachte om Nederland te verlaten voortvloeit uit een ongewenstverklaring a.b.i. art. 67 (oud) Vreemdelingenwet 2000, is gegrond. Van de door art. 2.2ahf.b van de richtlijn geboden mogelijkheid de daar bedoelde personen van de toepasselijkheid van de richtlijn uit te sluiten heeft de wetgever geen gebruik gemaakt. Voor de toepassing van de richtlijnbepalingen is derhalve niet relevant de omstandigheid dat aan de ongewenstverklaring van verdachte mede ten grondslag lag een strafrechtelijke veroordeling. De middelen klagen terecht dat het Hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, nu het Hof in het midden heeft gelaten of de door de richtlijn voorgeschreven stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.
De uitspraak op rechtspraak.nl