Art. 3 Richtlijn 91/439/EEG
1. Met het in artikel 1 bedoelde rijbewijs mogen voertuigen van de volgende categorieën worden bestuurd:
categorie A
-motorrijwielen, met of zonder zijspan;
categorie B
-motorvoertuigen met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 3 500 kg en met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;
-samenstellen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarbij de maximaal toegestane massa van het samenstel niet meer dan 3 500 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen niet groter is dan de ledige massa van het trekkend voertuig;
categorie B+E
-samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarvan het samenstel niet onder categorie B valt;
categorie C
-andere motorvoertuigen dan die van categorie D, met een maximaal toegestane massa van meer dan 3 500 kg; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximaal toegestane massa niet meer dan 750 kg bedraagt;
categorie C+E
-samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg;
categorie D
-motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;
categorie D+E
-samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg.
2. Binnen de categorieën A, B, B+E, C, C+E, D en D+E kan een specifiek rijbewijs worden afgegeven voor het besturen van voertuigen van de volgende subcategorieën:
subcategorie A1
-lichte motorrijwielen met een maximale cylinderinhoud van 125 cm3 en een maximaal vermogen van 11 kW;
subcategorie B1
-gemotoriseerde drie- en vierwielers;
subcategorie C1
-andere motorvoertuigen dan die van categorie D, waarvan de maximaal toegestane massa meer dan 3 500 kg, doch ten hoogste 7 500 kg bedraagt; aan de motorvoertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;
subcategorie C1+E
-samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan
750 kg, mits de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt;
subcategorie D1
-motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht doch niet meer dan zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de motorvoertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;
subcategorie D1+E
-samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan
750 kg, mits
-de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt, en
-de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- "gemotoriseerd voertuig", elk zichzelf over de weg voortbewegend wegvoertuig, anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen;
- "driewieler" en "vierwieler", elk voertuig respectievelijk op drie of op vier wielen van categorie B, waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid meer bedraagt dan 50 km per uur of, indien deze voertuigen zijn uitgerust met een thermische motor met ontstekingsregeling, met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3, of met een andere motor met gelijkwaardig vermogen. De ledige massa mag niet groter zijn dan 550 kg. In de ledige massa van elektrisch aangedreven voertuigen wordt de massa van de accu's niet meegerekend.
De Lid-Staten kunnen lagere normen voor de ledige massa vaststellen en andere eraan toevoegen, bij voorbeeld voor de maximale cylinderinhoud of het vermogen;
- "motorrijwiel", elk voertuig op twee wielen waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid meer bedraagt dan 50 km per uur of, indien dit voertuig met een thermische aandrijfmotor is uitgerust, waarvan de cylinderinhoud meer bedraagt dan 50 cm3. Een motorrijwiel met zijspanwagen wordt met dit soort voertuig gelijkgesteld;
- "motorvoertuig", elk gemotoriseerd voertuig, motorrijwielen uitgezonderd, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg, of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven. De term heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;
- "landbouw- en bosbouwtrekkers", elk gemotoriseerd voertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen voor personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt.
4. De Lid-Staten kunnen, na raadpleging van de Commissie, van de in lid 3, tweede en derde streepje, genoemde snelheden afwijken, op voorwaarde dat zij lagere snelheden vaststellen en mits zij dat op het rijbewijs vermelden.
5. Voor subcategorie A1 kunnen de Lid-Staten extra beperkende voorschriften opleggen.
6. Na instemming van de Commissie kunnen de Lid-Staten bepaalde bijzondere typen van gemotoriseerde voertuigen, zoals speciale voertuigen voor gehandicapten, uitsluiten van dit artikel.