Art. 14 Tweede Richtlijn 90/619/EEG
1. Elke Lid-Staat op het grondgebied waarvan een onderneming voornemens is in het kader van dienstverrichting verbintenissen aan te gaan overeenkomstig artikel 13, stelt de eis dat de onderneming de onderstaande procedure in acht neemt :
a) overlegging van een certificaat, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar het hoofdkantoor is gevestigd, waarin wordt verklaard dat de onderneming voor al haar werkzaamheden over de in artikel 19 van de Eerste Richtlijn bedoelde minimumsolvabiliteitsmarge beschikt en dat de vergunning, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die richtlijn, de onderneming in staat stelt buiten de Lid-Staat van de vestiging werkzaam te zijn;
b) overlegging van een certificaat, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van de vestiging, waarin wordt verklaard welke branches de onderneming mag uitoefenen, alsmede dat deze autoriteiten er geen bezwaar tegen maken dat de onderneming werkzaamheden in het kader van dienstverrichting verricht;
c) opgave van de aard van de verbintenissen die zij voornemens is aan te gaan in de Lid-Staat van dienstverrichting .
De hiervoor beschreven procedure is niet van toepassing wanneer een onder deze richtlijn vallende werkzaamheid in de Lid-Staat van de verbintenis niet onderworpen is aan de controle door de administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op particuliere verzekeringen .
2. Elke Lid-Staat voorziet in de mogelijkheid van beroep bij een rechterlijke instantie tegen een weigering van afgifte van het in lid 1, onder a ) of b ), bedoelde certificaat .
3. De onderneming kan haar werkzaamheden aanvangen vanaf de officieel bevestigde datum waarop de autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting in het bezit zijn van de in lid 1 bedoelde documenten .
4. Dit artikel is eveneens van toepassing indien de Lid-Staat op het grondgebied waarvan een onderneming voornemens is in 13 kader van dienstverrichting anders dan overeenkomstig artikel 13 verbintenissen aan te gaan, de toegang tot die werkzaamheden niet afhankelijk stelt van een vergunning .
5. De Lid-Staten kunnen de verzekeringnemer niet beletten om een verbintenis aan te gaan die is toegelaten bij de voorschriften van de Lid-Staat van de vestiging, tenzij zulks in strijd is met de bepalingen inzake de openbare orde van de Lid-Staat van dienstverrichting .