Art. 12 Tweede Richtlijn 90/619/EEG

Tweede Richtlijn 90/619/EEG

1. Onder voorbehoud van artikel 13 kan elke Lid-Staat op het grondgebied waarvan een onderneming voornemens is in het kader van dienstverrichting de in artikel 10 bedoelde verbintenissen aan te gaan, de toegang tot deze werkzaamheid afhankelijk stellen van een vergunning, voor zover deze verbintenissen niet zijn aangegaan overeenkomstig artikel 13; te dien einde kan hij de eis stellen dat de onderneming :

a) een certificaat overlegt, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar het hoofdkantoor is gevestigd, waarin wordt verklaard dat de onderneming voor al haar werkzaamheden over de in artikel 19 van de Eerste Richtlijn bedoelde minimumsolvabiliteitsmarge beschikt en dat de vergunning overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die richtlijn, de onderneming in staat stelt buiten de Lid-Staat van de vestiging werkzaam te zijn;

b) een certificaat overlegt, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van de vestiging, waarin wordt verklaard welke branches de onderneming mag uitoefenen, alsmede dat deze autoriteiten er geen bezwaar tegen maken dat de onderneming werkzaamheden in het kader van dienstverrichting verricht;

c) een programma van werkzaamheden overlegt dat gegevens moet bevatten betreffende :

_ de aard van de verbintenissen die de onderneming voornemens is aan te gaan in de Lid-Staat van dienstverrichting;

_ de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringspolissen die zij voornemens is daar te gebruiken;

_ de tarieven die de onderneming voornemens is toe te passen voor elke categorie van verrichtingen en de technische grondslagen die zij voornemens is voor elke categorie verrichtingen te hanteren;

_ de formulieren en andere gedrukte documenten die zij in de contacten met de verzekeringnemers wil gebruiken, voor zover deze ook van de gevestigde ondernemingen worden geëist .

2. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting kunnen eisen dat de in lid 1, onder c ), bedoelde gegevens hun in de officiële taal van deze Lid-Staat worden overgelegd .

3. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting beschikken over een termijn van zes maanden, ingaande op de datum van ontvangst van de in lid 1 genoemde documenten, om de vergunning te verlenen of te weigeren, naar gelang de elementen van het door de onderneming overgelegde programma van werkzaamheden al dan niet in overeenstemming zijn met de in deze Lid-Staat geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen .

Dat bepaalde verrichtingen van het programma van werkzaamheden in de Lid-Staat van de vestiging wel en in de Lid-Staat van dienstverrichting niet onder de controle van de voor het toezicht op verzekeringsondernemingen bevoegde autoriteiten vallen, is geen reden om deze vergunning te weigeren .

4. Indien de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting bij het verstrijken van de in lid 3 bedoelde ter

geen uitspraak hebben gedaan, wordt de vergunning geacht te zijn geweigerd .

5. Ieder besluit tot weigering van de vergunning of tot weigering van het in lid 1, onder a ) of b ), bedoelde certificaat moet nauwkeurig met redenen zijn omkleed en aan de betrokken onderneming ter kennis worden gebracht .

6. Elke Lid-Staat voorziet in de mogelijkheid van beroep bij een rechterlijke instantie tegen een weigering van de vergunning of weigering van afgifte van het in lid 1, onder a ) of b ), bedoelde certificaat .

Vorige artikelen

Volgende artikelen