Art. 14 Verordening (EEG) nr. 2677/85
1. Ten einde de inachtneming van de in artikel 4, lid 1, sub a), van Verordening (EEG) nr. 3089/78 bedoelde voorwaarde te kunnen controleren, moet elk bij raffinage van binnen de Gemeenschap geproduceerde olijfolie of olie uit afvallen van olijven verkregen bijprodukt, bij de produktie worden vermengd met één van de onderstaande produkten volgens het aangegeven percentage:
- 10 % sesamolie of bij raffinage daarvan verkregen acid-oil, of
- 30 % koolzaadolie of bij raffinage daarvan verkregen acid-oil, of
- koolzaadolie of bij raffinage daarvan verkregen acid-oil, waarvan het erucazuurgehalte gelijk is aan of hoger dan 25 % van de vetzuren der triglyceriden, totdat in het produkt dat uit het mengsel resulteert een erucazuurgehalte verkregen is van 2,5 %, of
- 10 % lijnolie of bij raffinage daarvan verkregen acid-oil, of
- 15 % rundvet, of
- 0,2 % cholesterol, welk percentage moet worden verkregen met cholesterol die geen voor de menselijke voeding toxische onzuiverheden bevat.
2. Iedere olijfolieraffinaderij moet, om controle op de in dit artikel bedoelde verrichtingen mogelijk te maken, voor de bij de raffinage verkregen bijprodukten en de andere in lid 1 bedoelde produkten een afzonderlijke dagboekhouding van de voorraden voeren, die ten minste de volgende gegevens bevat:
- hoeveelheden en kwaliteiten die het bedrijf zijn binnengekomen,
- hoeveelheden en kwaliteiten die in het bedrijf zijn geproduceerd,
- hoeveelheden en kwaliteiten die het bedrijf hebben verlaten,
- voorraden gespecificeerd naar kwaliteit.
3. De Lid-Staten kunnen de in het eerste lid bedoelde verplichting niet van toepassing verklaren op de bij de raffinage van olijfolie of van olie uit afvallen van olijven verkregen bijprodukten die in die staat voor de vervaardiging van zeep worden gebruikt, op voorwaarde dat zij op deze produkten vanaf de vervaardiging ervan een voortdurende controle uitoefenen, waardoor wordt gegarandeerd dat zij definitief tot zeep worden verwerkt.