Art. 18 Verordening (EEG) nr. 2677/85

Verordening (EEG) nr. 2677/85

1. Voor de toepassing van artikel 17, lid 4, eerste alinea, wordt geacht in een zodanige toestand te zijn gebracht dat zij niet voor consumptiesteun in aanmerking kan komen in de zin van artikel 9, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3089/78, olie:

a) die in een in de Gemeenschap gelegen bedrijf is verpakt in onmiddellijke verpakkingen met een netto-inhoud van ten hoogste 5 liter, waarop het in artikel 4 bedoelde identificatienummer niet is aangebracht, en die dat bedrijf heeft verlaten, of

b) die het douanegebied van de Gemeenschap onverpakt of in onmiddellijke verpakkingen met een netto-inhoud van meer dan 5 liter, maar zonder identificatienummer, heeft verlaten, of

c) die is gebruikt voor de vervaardiging van vis- of groenteconserven zonder toekenning van de voor het genoemde gebruik van olijfolie van communautaire oorsprong ingestelde restitutie bij de produktie, of

d) waarvoor ten genoegen van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat de in onmiddellijke verpakkingen met een netto-inhoud van ten hoogste 5 liter en met de in artikel 17, lid 1, vermelde aanduidingen ingevoerde olie als zodanig door de kleinhandel is overgenomen of door een industrie is verbruikt of het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten.

2. Bedrijven die voornemens zijn de in artikel 17, lid 1, bedoelde olie in een toestand te brengen als genoemd in lid 1, sub a) en c), moeten zulks vooraf aan de instantie van de betrokken Lid-Staat mededelen.

Voor de in lid 1, sub a), bedoelde olie moeten andere dan erkende bedrijven een voorraadboekhouding voeren overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, sub b) tot en met i), met opgave van de voorraad olijfolie op de dag waarop de in de eerste alinea bedoelde informatie aan de bevoegde instantie wordt medegedeeld.

Voor de lid 1, sub c), bedoelde olie moeten de bedrijven het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1963/79 van de Commissie (1) in acht nemen.

3. Op verzoek van de betrokken bedrijven geeft de bevoegde instantie een certificaat af, conform aan het model in de bijlage, indien de betrokken bedrijven ten genoegen van deze instantie aantonen dat zij de olie of een gelijkwaardige hoeveelheid werkelijk in een toestand als bedoeld in lid 1, sub a), c) of d), hebben gebracht.

Voor de in lid 1, sub d), bedoelde olie echter wordt het bovenvermelde certificaat slechts afgegeven voor de olie bedoeld in artikel 17, lid 1.

4. In geval van uitvoer moet het bewijs van uitvoer worden geleverd zoals voor het verkrijgen van uitvoerrestituties. Dit bewijs moet worden overgelegd bij de bevoegde instantie van de Lid-Staat waar de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld. Op verzoek van de belanghebbende geeft de instantie het in lid 3 bedoelde certificaat af.

Ingeval de olie volgens de regeling voor intern communautair douanevervoer naar Zwitserland of Oostenrijk is uitgevoerd of indien de olie in het kader van deze procedure via het grondgebied van die landen is vervoerd alvorens het land van bestemming te bereiken, wordt het certificaat afgegeven op voorwaarde dat het bewijs is geleverd dat de olie in een derde land in het vrije verkeer is gebracht, behalve wanneer zij tijdens het vervoer door overmacht is verloren gegaan.

5. Olijfolie waarvoor een certificaat is afgegeven overeenkomstig lid 4, kan voor toepassing van het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 754/76 van de Raad (2) slechts in aanmerking komen, indien het betrokken certificaat wordt geannuleerd of indien overeenkomstig artikel 17 opnieuw een waarborg wordt gesteld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen