Art. 11 Verordening (EEG) nr. 1999/85
1. De voorwaarden waaronder de regeling wordt gebruikt, worden in de vergunning vastgesteld.
2. De houder van een vergunning dient de douaneautoriteit mededeling te doen van elk feit dat zich voordoet na afgifte van de vergunning en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.
3. Bij wijziging van de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is verleend, wijzigt de douaneautoriteit die vergunning dienovereenkomstig.