Art. 22 Richtlijn 85/384/EEG
1. Indien een Lid-Staat van zijn onderdanen voor de toegang tot of de uitoefening van een der in artikel 1 bedoelde werkzaamheden, hetzij een vergunning eist, hetzij inschrijving of aansluiting bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie verlangt, ontheft deze Lid-Staat, in geval van dientverrichting, de onderdanen van de andere Lid-Staten van deze eis.
De begunstigde oefent zijn dienstverrichting uit met dezelfde rechten en verplichtingen als de onderdanen van de ontvangende Lid-Staat; voor hem gelden met name de tuchtrechtelijke bepalingen van professionele of administratieve aard die van toepassing zijn in deze Lid-Staat.
Ter aanvulling van de in lid 2 bedoelde verklaring aangaande het verrichten van diensten kunnen de Lid-Staten daartoe, ten einde de toepassing van de op hun grondgebied vigerende tuchtrechtelijke bepalingen mogelijk te maken, voorzien in een tijdelijke inschrijving die automatisch plaatsvindt of in een aansluiting pro forma bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie of in een inschrijving in een register, op voorwaarde dat deze inschrijving het verrichten van diensten op generlei wijze vertraagt of bemoeilijkt en geen extra kosten met zich brengt voor degene die de diensten verricht.
Treft de ontvangende Lid-Staat ter toepassing van de tweede alinea een maatregel of draagt hij kennis van feiten die indruisen tegen deze bepalingen, dan deelt hij zulks onmiddellijk mede aan de Lid-Staat waar de begunstigde is gevestigd.
2. De ontvangende Lid-Staat kan voorschrijven dat de begunstigde vooraf de bevoegde instanties in een verklaring op de hoogte stelt van de dienstverrichting, ingeval de uitoefening daarvan de verwezenlijking van een project op zijn grondgebied meebrengt.
3. Op grond van de leden 1 en 2 kan de ontvangende Lid-Staat van de begunstigde één of meer documenten eisen met de volgende gegevens:
- de in lid 2 bedoelde verklaring,
- een attest waaruit blijkt dat de betrokkene in de Lid-Staat waar hij gevestigd is, de desbetreffende werkzaamheden wettig uitoefent,
- een attest dat de betrokkene het of de diploma('s), certificaat (certificaten) of andere titel(s) bezit, dat/die voor het verrichten van de bedoelde diensten is/zijn vereist en voldoet/voldoen aan de in hoofdstuk II of hoofdstuk III van deze richtlijn bedoelde criteria,
- zo nodig, het in artikel 23, lid 2, bedoelde attest.
4. Het (de) in lid 3 bedoelde document(en) mag/mogen bij overlegging niet ouder zijn dan twaalf maanden.
5. Indien een Lid-Staat een van zijn onderdanen of een op zijn grondgebied gevestigde onderdaan van een andere Lid-Staat geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief, de bevoegdheid ontneemt om een van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden uit te oefenen, draagt hij er zorg voor dat het in lid 3, tweede streepje, bedoelde attest al naar gelang van het geval tijdelijk of definitief wordt ingetrokken.
C. Bepalingen die het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten gemeen hebben