Art. 17 Richtlijn 85/384/EEG
1. De ontvangende Lid-Staat die van zijn onderdanen voor de eerste toegang tot een van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden een verklaring omtrent goed gedrag of betrouwbaarheid verlangt, aanvaardt voor de onderdanen der overige Lid-Staten als genoegzaam bewijs een door een bevoegde instantie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat aan de in deze Lid-Staat voor de toegang tot de betrokken werkzaamheid gestelde voorwaarden inzake goed gedrag en betrouwbaarheid is voldaan. 2. Indien de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst voor de eerste toegang tot de betrokken werkzaamheid geen verklaring omtrent goed gedrag of betrouwbaarheid verlangt, kan de ontvangende Lid-Staat van de onderdanen van deze Lid-Staat van oorsprong of van herkomst een uittreksel uit het strafregister verlangen of, bij gebreke daarvan, een door een bevoegde instantie van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst afgegeven gelijkwaardig document.
3. Wanneer het in lid 2 bedoelde document niet wordt afgegeven door de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst, kan dit worden vervangen door een verklaring onder ede - of, in de Staten waar niet in een eed is voorzien, door een plechtige verklaring - welke door de betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie, of, in voorkomend geval, van een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst, welke een attest afgeeft dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht heeft.
4. Indien de ontvangende Lid-Staat kennis heeft van welbepaalde ernstige feiten die vóór de vestiging van de betrokkene in deze Staat buiten zijn grondgebied hebben plaatsgevonden, of van onjuiste gegevens die zijn vervat in de in lid 3 bedoelde verklaring en die van invloed kunnen zijn op de toegang tot de desbetreffende werkzaamheid op zijn grondgebied, kan hij de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst daarvan op de hoogte stellen.
De Lid-Staat van oorsprong of van herkomst gaat de juistheid van deze feiten na voor zover deze feiten in deze Lid-Staat van invloed kunnen zijn op de toegang tot de desbetreffende werkzaamheid. De autoriteiten van deze Staat bepalen zelf de aard en de omvang van het in te stellen onderzoek en brengen de consequenties die zij daaruit trekken ten aanzien van de door hen afgegeven verklaringen of documenten, ter kennis van de ontvangende Lid-Staat.
5. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de inhoud van de toegezonden inlichtingen geheim blijft.