HvJ EU 21 maart 2002, C-298/99, ECLI:EU:C:2002:194

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Partijen

In zaak C-298/99,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en E. Montaguti als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 12, 20, 22, 27 en 31 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), zoals gewijzigd bij richtlijn 86/17/EEG van de Raad van 27 januari 1986 tot wijziging, in verband met de toetreding van Portugal, van richtlijn 85/384 (PB L 27, blz. 71, en - rectificatie hiervan - L 87, blz. 36), en, wat punt 3 hieronder betreft, krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG), door:

1) niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, alsmede de artikelen 7, 11 en 14 van richtlijn 85/384;

2) de volgende bepalingen vast te stellen:

- artikel 4, lid 2, sub a, van wetgevend decreet van de president van de Republiek nr. 129 van 27 januari 1992 (GURI nr. 41 van 19 februari 1992, blz. 18), en artikel 4, lid 1, sub a, van decreet van de minister van Universiteiten en Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek nr. 776 van 10 juni 1994 (GURI nr. 234 van 6 oktober 1995, blz. 3), dat de algemene verplichting oplegt het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan over te leggen,

- artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94, waarbij de overlegging van een nationaliteitsbewijs algemeen verplicht wordt gesteld,

- artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94, waarbij de officiële vertaling van documenten stelselmatig verplicht wordt gesteld,

- artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92, waarbij de geldigheid van de attesten tot na 5 augustus 1987 wordt verlengd;

3) de architect die in Italië diensten verricht, te verbieden in dit land over een infrastructuur te beschikken (artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92);

4) de architect die diensten verricht te verplichten zich bij de territoriaal bevoegde provinciale raad van de orde van architecten in te schrijven (artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94) volgens andere regels dan die welke in artikel 22 van richtlijn 85/384 zijn voorgeschreven, en

5) artikel 4, leden 6 tot en met 8, van decreet nr. 129/92 toe te passen op een wijze die niet overeenstemt met artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384,

wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr, D. A. O. Edward (rapporteur), A. La Pergola en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaat-generaal: S. Alber,

griffier: L. Hewlett, administrateur,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 14 juni 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 september 2001,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 augustus 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 12, 20, 22, 27 en 31 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), zoals gewijzigd bij richtlijn 86/17/EEG van de Raad van 27 januari 1986 tot wijziging, in verband met de toetreding van Portugal, van richtlijn 85/384 (PB L 27, blz. 71, en - rectificatie hiervan - L 87, blz. 36; hierna: "richtlijn 85/384"), en wat punt 3 hieronder betreft, krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG), door:

1) niet alle nodige maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, alsmede de artikelen 7, 11 en 14 van richtlijn 85/384;

2) de volgende bepalingen vast te stellen:

- artikel 4, lid 2, sub a, van wetgevend decreet van de president van de Republiek nr. 129 van 27 januari 1992 (GURI nr. 41 van 19 februari 1992, blz. 18; hierna: "decreet nr. 129/92") en artikel 4, lid 1, sub a, van decreet van de minister van Universiteiten en Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek nr. 776 van 10 juni 1994 (GURI nr. 234 van 6 oktober 1995, blz. 3; hierna: "decreet nr. 776/94"), dat de algemene verplichting oplegt het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan over te leggen,

- artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94, waarbij de overlegging van een nationaliteitsbewijs algemeen verplicht wordt gesteld,

- artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94, waarbij de officiële vertaling van documenten stelselmatig verplicht wordt gesteld,

- artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92, waarbij de geldigheid van de attesten tot na 5 augustus 1987 wordt verlengd;

3) de architect die in Italië diensten verricht, te verbieden in dit land over een infrastructuur te beschikken (artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92);

4) de architect die diensten verricht te verplichten zich bij de territoriaal bevoegde provinciale raad van de orde van architecten in te schrijven (artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94) volgens andere regels dan die welke in artikel 22 van verordening 85/384 zijn voorgeschreven, en

5) artikel 4, leden 6 tot en met 8, van decreet nr. 129/92 toe te passen op een wijze die niet overeenstemt met artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384.

Gemeenschapsrecht

2 Richtlijn 85/384 voorziet in de automatische erkenning van bepaalde titels op het gebied van de architectuur in het kader van twee onderscheiden regelingen.

3 In de artikelen 2 tot en met 9 van richtlijn 85/384, die deel uitmaken van hoofdstuk II "Diploma's, certificaten en andere titels die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur onder de beroepstitel van architect", wordt een algemene regeling ingevoerd inzake de automatische onderlinge erkenning van alle titels op het gebied van de architectuur die aan de in deze artikelen gestelde voorwaarden voldoen. Artikel 2 bepaalt: "Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels die behaald zijn na een opleiding welke beantwoordt aan de eisen van de artikelen 3 en 4."

4 Volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 85/384 wordt in het bijzonder als beantwoordend aan artikel 2 erkend, "de driejarige opleiding van de $Fachhochschulen' in de Bondsrepubliek Duitsland die bestaat op het tijdstip van de kennisgeving van deze richtlijn, voldoet aan de eisen van artikel 3 en in die lidstaat toegang geeft tot de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect, op voorwaarde dat deze opleiding wordt aangevuld met een periode van beroepservaring van vier jaar in de Bondsrepubliek Duitsland, afgesloten met het behalen van een certificaat dat is afgegeven door de beroepsorde op wier ledenlijst de architect die voor de bepalingen van deze richtlijn in aanmerking wil komen, is ingeschreven".

5 Evenzo bepaalt artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/384:

"Als beantwoordend aan artikel 2 wordt, in het kader van de sociale verheffing of van part-time universitaire studies, tevens erkend, de opleiding die voldoet aan de eisen van artikel 3 en die wordt afgesloten met een examen in de architectuur dat met goed gevolg is afgelegd door een persoon die gedurende zeven jaar of langer op het gebied van de architectuur werkzaam is geweest onder toezicht van een architect of een architectenbureau. Dit examen moet op universitair niveau staan en gelijkwaardig zijn aan het in lid 1, sub b, bedoelde afsluitend examen."

6 Artikel 7 van richtlijn 85/384 luidt:

"1. Iedere lidstaat stelt zo spoedig mogelijk de andere lidstaten en de Commissie gelijktijdig in kennis van de lijst van diploma's, certificaten en andere opleidingstitels die op zijn grondgebied worden afgegeven en die voldoen aan de criteria van de artikelen 3 en 4, alsmede van de instellingen of autoriteiten die deze afgeven.

De eerste mededeling heeft plaats binnen twaalf maanden na de kennisgeving van deze richtlijn.

Iedere lidstaat deelt op dezelfde wijze de wijzigingen mee inzake de diploma's, certificaten en andere opleidingstitels die op zijn grondgebied worden afgegeven, met name die welke niet meer aan de eisen van de artikelen 3 en 4 voldoen.

2. De lijsten en de bijwerkingen daarvan worden, drie maanden nadat zij zijn medegedeeld, door de Commissie ter informatie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. (...) De Commissie maakt regelmatig geconsolideerde lijsten bekend."

7 In de artikelen 10 tot en met 15 van richtlijn 85/384, die deel uitmaken van hoofdstuk III, "Diploma's, certificaten en andere titels die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur uit hoofde van verworven rechten of bestaande nationale bepalingen", wordt een overgangsregeling ingevoerd inzake de onderlinge erkenning van bepaalde limitatief opgesomde titels. Artikel 10 luidt: "Elke lidstaat erkent de in artikel 11 vermelde diploma's, certificaten en andere titels die door de overige lidstaten zijn afgegeven aan onderdanen van de lidstaten die op de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds in het bezit zijn van deze kwalificaties of die uiterlijk in de loop van het derde academiejaar volgende op deze kennisgeving zijn begonnen met de opleiding die door het behalen van deze diploma's, certificaten en andere titels wordt afgesloten, ook al voldoen zij niet aan de minimumeisen van de in hoofdstuk II bedoelde diploma's, certificaten en andere titels."

8 Tot de titels die op basis van de tweede regeling automatisch kunnen worden erkend, behoort luidens artikel 11, sub k, zevende streepje, van richtlijn 85/384 "de $Licenciatura em engenharia civil', afgegeven door de $Faculdade de engenharia da universidade do Porto'". Deze bepaling is in artikel 11 van richtlijn 85/384 ingevoegd bij richtlijn 86/17.

9 Artikel 12 van richtlijn 85/384 bepaalt:

"Onverminderd artikel 10 erkent elke lidstaat, door daaraan met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven diploma's, certificaten en andere titels van architect,

- de attesten die aan onderdanen van de lidstaten zijn afgegeven door de lidstaten die op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn een regeling kennen voor de toegang tot en de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect, en waaruit blijkt dat de houder ervan de toelating heeft gekregen de beroepstitel van architect te voeren vóór de tenuitvoerlegging van de richtlijn en dat hij in het kader van deze regeling daadwerkelijk de betrokken werkzaamheden heeft uitgeoefend gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaand aan de afgifte van die attesten;

- de attesten die aan onderdanen van de lidstaten zijn afgegeven door de lidstaten die tussen de datum van kennisgeving en die van tenuitvoerlegging van deze richtlijn een regeling invoeren voor de toegang tot en de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect, en waaruit blijkt dat de houder ervan de toelating gekregen heeft de beroepstitel van architect te voeren op het tijdstip van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dat hij de betrokken werkzaamheden in het kader van die regeling daadwerkelijk heeft uitgeoefend gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaand aan de afgifte van die attesten."

10 Artikel 14 van richtlijn 85/384 luidt:

"De attesten van de bevoegde autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland ten bewijze van de respectieve gelijkwaardigheid van de na 8 mei 1945 door de bevoegde autoriteiten van de Duitse Democratische Republiek afgegeven opleidingstitels met de in artikel 11 opgesomde titels, worden erkend op de in dat artikel vermelde voorwaarden."

11 De artikelen 17 tot en met 26 van richtlijn 85/384 bevatten diverse bepalingen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten door de houders van diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur.

12 Volgens artikel 20, lid 1, van deze richtlijn "(moet) [d]e procedure inzake de toelating van de begunstigde tot een van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden overeenkomstig de artikelen 17 en 18 (...) zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden nadat het volledige dossier van de betrokkene is ingediend, worden voltooid, onverminderd de termijn die kan voortvloeien uit een eventueel beroep dat na deze procedure is ingesteld".

13 Artikel 22, leden 1 en 2, van richtlijn 85/384 luidt:

"1. Indien een lidstaat van zijn onderdanen voor de toegang tot of de uitoefening van een der in artikel 1 bedoelde werkzaamheden, hetzij een vergunning eist, hetzij inschrijving of aansluiting bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie verlangt, ontheft deze lidstaat in geval van dienstverrichting, de onderdanen van de andere lidstaten van deze eis.

De begunstigde oefent zijn dienstverrichting uit met dezelfde rechten en verplichtingen als de onderdanen van de ontvangende lidstaat; voor hem gelden met name de tuchtrechtelijke bepalingen van professionele of administratieve aard die van toepassing zijn in deze lidstaat.

Ter aanvulling van de in lid 2 bedoelde verklaring aangaande het verrichten van diensten kunnen de lidstaten daartoe, teneinde de toepassing van de op hun grondgebied vigerende tuchtrechtelijke bepalingen mogelijk te maken, voorzien in een tijdelijke inschrijving die automatisch plaatsvindt of in een aansluiting pro forma bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie of in een inschrijving in een register, op voorwaarde dat deze inschrijving het verrichten van diensten op generlei wijze vertraagt of bemoeilijkt en geen extra kosten met zich brengt voor degene die de diensten verricht.

(...)

2. De ontvangende lidstaat kan voorschrijven dat de begunstigde vooraf de bevoegde instanties in een verklaring op de hoogte stelt van de dienstverrichting, ingeval de uitoefening daarvan de verwezenlijking van een project op zijn grondgebied meebrengt."

14 In artikel 27 van deze verordening heet het dat "de ontvangende lidstaat (...) in geval van gegronde twijfel, van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat een bevestiging (kan) verlangen van de echtheid van de in die andere lidstaat afgegeven en in de hoofdstukken II en III genoemde diploma's, certificaten en andere titels".

15 Artikel 31 van richtlijn 85/384 bepaalt:

"1. De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om binnen vierentwintig maanden na de datum van de kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten beschikken echter over een termijn van drie jaar na bedoelde datum van kennisgeving om aan artikel 22 te voldoen.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen."

Nationaal recht

16 Naar aanleiding van het arrest van 11 juli 1991, Commissie/Italië (C-296/90, Jurispr. blz. I-3847), waarin het Hof heeft vastgesteld dat de Italiaanse Republiek niet de maatregelen had getroffen die nodig waren om richtlijn 85/384 in nationaal recht om te zetten, heeft deze lidstaat de decreten nrs. 129/92 en 776/94 vastgesteld.

Precontentieuze procedure

17 Van oordeel dat de omzetting van richtlijn 85/384 in Italiaans recht deels onvolledig, deels onjuist bleef, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Italiaanse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie deze lidstaat bij brief van 23 maart 1998 een met redenen omkleed advies gezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de maatregelen te treffen die nodig zijn om aan de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te voldoen. Omdat de Italiaanse Republiek niet op dit advies heeft geantwoord, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

De grief inzake niet-omzetting van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, en de artikelen 11 en 14 van richtlijn 85/384

18 De Commissie verwijt de Italiaanse regering dat zij artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, en de artikelen 11, sub k, zevende streepje, en 14 van richtlijn 85/384 niet in nationaal recht heeft omgezet.

19 De Italiaanse regering antwoordt dat deze bepalingen duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn en derhalve rechtstreeks toepasbaar, zelfs zonder omzetting door de Italiaanse wetgever. Door de rechtstreekse werking ervan is iedere schending van richtlijn 85/384 dan ook uitgesloten, aangezien het gestelde doel bereikt is.

20 Dienaangaande zij opgemerkt dat de decreten nrs. 129/92 en 776/94 de door de Italiaanse autoriteiten vastgestelde omzettingsmaatregelen bevatten.

21 Deze decreten bevatten evenwel geen enkele bepaling waarin artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 85/384, strekkende tot automatische erkenning van de opleiding aan de Fachhochschulen in de Bondsrepubliek Duitsland, of de artikelen 4, lid 2, en 14 van deze richtlijn zijn omgezet.

22 Bovendien vermeldt een bijlage bij decreet nr. 129/92 weliswaar de in artikel 11 van richtlijn 85/384 opgesomde titels, maar de sub k, zevende streepje, van dit artikel bedoelde "$licenciatura em engenharia civil', afgegeven door de $Faculdade de engenharia da universidade do Porto'" wordt hierin niet vermeld. De omzetting van artikel 11 van deze richtlijn is daarom onvolledig.

23 Aangaande het argument van de Italiaanse regering inzake de rechtstreekse werking van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, en van de artikelen 11, sub k, zevende streepje, en 14 van richtlijn 85/383, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de rechtstreekse werking van een richtlijn voor een lidstaat geen rechtvaardiging kan vormen voor zijn verzuim om tijdig de bij het doel van deze richtlijn passende uitvoeringsmaatregelen te treffen (zie in die zin arresten van 6 mei 1980, Commissie/België, 102/79, Jurispr. blz. 1473, punt 12, en 20 maart 1997, Commissie/Duitsland, C-96/95, Jurispr. blz. I-1653, punt 37).

24 Derhalve is de grief inzake niet-omzetting van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, en van de artikelen 11, sub k, zevende streepje, en 14 van richtlijn 85/384 gegrond.

De grief inzake onvolledige omzetting van artikel 7 van richtlijn 85/384

25 De Commissie stelt dat artikel 7 van richtlijn 85/384 door de Italiaanse regering slechts gedeeltelijk is omgezet voorzover bijlage A bij decreet nr. 129/92 enkel de in artikel 11 van deze richtlijn opgesomde diploma's vermeldt, zonder te verwijzen naar de mededelingen van de Commissie waarmee de in artikel 7 bedoelde lijst regelmatig wordt bijgewerkt, en zonder te vermelden dat de in deze mededelingen genoemde diploma's ook automatisch moeten worden erkend.

26 Volgens de Italiaanse regering is het niet nodig de titels die automatisch moeten worden erkend, uitdrukkelijk in het nationale recht op te sommen. Het is immers voldoende de mededelingen van de Commissie te raadplegen.

27 Dienaangaande zij opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 7 van richtlijn 85/384 niet uitdrukkelijk verplicht zijn de diploma's, certificaten en andere titels die zijn opgesomd op de overeenkomstig lid 2 van dit artikel door de Commissie bekendgemaakte lijsten te vermelden op een nationale lijst van automatisch te erkennen diploma's, certificaten en andere titels.

28 Volgens vaste rechtspraak moet de omzetting van een richtlijn in nationaal recht evenwel daadwerkelijk de volledige toepassing ervan op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekeren opdat, ingeval de richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en deze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden. Deze voorwaarde is vooral van belang wanneer de richtlijn rechten toekent aan onderdanen van andere lidstaten (zie arresten van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland, C-365/93, Jurispr. blz. I-499, punt 9, en Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 35).

29 Voor een daadwerkelijke onderlinge erkenning van de titels op het gebied van de architectuur is het van wezenlijk belang, dat de onderdanen van de lidstaten kunnen weten welke titels automatisch door de ontvangende lidstaat dienen te worden erkend.

30 Vastgesteld zij dat de Italiaanse regeling geen bepalingen bevat waarin voldoende wordt aangegeven welke titels door de Italiaanse autoriteiten moeten worden erkend. Meer in het bijzonder betreft bijlage A bij decreet nr. 129/92 enkel de erkenning, voor een overgangsperiode, van de in artikel 11 van richtlijn 85/384 vermelde titels. Artikel 2 van decreet nr. 129/92 bepaalt enkel dat de titels worden erkend die voldoen aan de vereisten van artikel 3 van deze richtlijn. Verder mag ingevolge artikel 5, lid 1, sub a, van hetzelfde decreet de betrokkene zich vestigen wanneer hij in het bezit is van een erkende titel. Artikel 9, lid 1, sub a, van dit decreet bevat tenslotte een soortgelijke regeling betreffende het vrij verrichten van diensten.

31 Bijgevolg is de grief inzake onvolledige omzetting van artikel 7 van richtlijn 85/384 eveneens gegrond.

De grief inzake de verplichting de originele titel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift over te leggen

32 Artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 bepaalt dat architecten die hun in een andere lidstaat afgegeven titel in Italië willen laten erkennen, hun originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift moeten overleggen.

33 De Commissie stelt dat dit vereiste enkel zou moeten gelden voor de gevallen waarin gegronde twijfel bestaat over de echtheid van de titels. Zij verwijst dienaangaande naar artikel 27 van richtlijn 85/384, volgens hetwelk "de ontvangende lidstaat (...) in geval van gegronde twijfel, van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat een bevestiging (kan) verlangen van de echtheid van de in die andere lidstaat afgegeven (...) diploma's, certificaten en andere titels". Volgens de Commissie moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat indien er geen gegronde twijfel bestaat, de echtheid van een titel niet hoeft te worden bewezen.

34 Volgens de Commissie brengt de verplichting om het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift over te leggen extra kosten mee voor de architecten die om erkenning van hun titel verzoeken, hetgeen het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging belemmert. De doelstelling van de Italiaanse autoriteiten kan ook worden bereikt met minder restrictieve middelen zoals de verplichting om een gewoon attest of een fotokopie van het diploma over te leggen.

35 De Italiaanse regering betoogt dat de belemmeringen die volgens de Commissie uit artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 voortvloeien, ongerechtvaardigd noch onevenredig zijn. De mogelijkheid van de ontvangende lidstaat om overlegging van de originele diploma's of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften te eisen wordt niet beperkt door artikel 27 van richtlijn 85/384. Dit artikel regelt een andere situatie, namelijk de bevestiging van de echtheid van deze documenten in geval van twijfel.

36 Opgemerkt zij dat de in artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 neergelegde verplichting voor de aanvrager om bij zijn verzoek om erkenning van zijn titel het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift te voegen, niet onder artikel 27 van richtlijn 85/384 valt. De Italiaanse bepaling regelt immers de inhoud van elk verzoek om erkenning van een belanghebbende, terwijl artikel 27 van de richtlijn betrekking heeft op situaties waarin gegronde twijfel bestaat over de echtheid van de ter ondersteuning van een verzoek overgelegde diploma's, certificaten en andere titels.

37 De uit artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 voortvloeiende verplichting vormt evenwel een belemmering van de in de artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 59 van het Verdrag gegarandeerde vrijheid van vestiging en vrije dienstverrichting, voorzover zij bijkomende hinder oplevert voor alle architecten die om erkenning van hun titel verzoeken. In dit verband zij gewezen op het gevaar voor verlies van het originele diploma of de eventuele vertraging waarmee de lidstaat van oorsprong dit diploma afgeeft, alsmede op de bijkomende formaliteiten en kosten waarmee de procedures voor het waarmerken van eensluidende afschriften van originele titels gepaard gaan.

38 Aangaande de vraag of deze belemmering wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, zij opgemerkt dat het van algemeen belang is dat de activiteit van architect enkel wordt uitgeoefend door personen die bepaalde met een erkende titel bekrachtigde kwalificaties hebben verworven. De lidstaten kunnen bijgevolg het bewijs van het bestaan van een dergelijke titel eisen.

39 Door echter voor te schrijven dat het origineel van het diploma of het voor eensluidend gewaarmerkte afschrift daarvan het enige aanvaardbare bewijs vormt, is het in artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 neergelegde vereiste onevenredig zwaar in verhouding tot het gestelde doel, voorzover hierdoor ieder ander middel om met dezelfde graad van zekerheid het bestaan van de betrokken titel te bewijzen, zoals de overlegging van een attest of een erkenning van het diploma van de aanvrager door de autoriteiten of beroepsorganisaties van de lidstaat van oorsprong, wordt uitgesloten.

40 Hieruit volgt dat artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 onverenigbaar is met de artikelen 52 en 59 van het Verdrag en dat de grief van de Commissie gegrond moet worden verklaard.

De grief inzake de verplichting een officiële vertaling van alle documenten te verstrekken en inzake de verplichting een nationaliteitsbewijs over te leggen

41 Artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94 bepalen dat bij het verzoek om erkenning van een titel een nationaliteitsbewijs moet worden gevoegd. Artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94 bepalen dat alle documenten die niet in het Italiaans zijn gesteld, vergezeld moeten gaan van een vertaling in het Italiaans. Deze vertalingen moeten voor eensluidend met het origineel worden gewaarmerkt door de Italiaanse diplomatieke of consulaire autoriteiten in de lidstaat waar de documenten zijn opgesteld of door een erkend vertaler.

42 De Commissie stelt dat deze verplichtingen onevenredig zijn en dus onverenigbaar met artikel 52 van het Verdrag. Aangaande de verplichting een nationaliteitsbewijs over te leggen, is het volgens haar voldoende een afschrift van het paspoort over te leggen om te bewijzen van welke lidstaat de aanvrager onderdaan is.

43 De verplichting om voor eensluidend met de originele documenten gewaarmerkte vertalingen te verstrekken verlengt volgens de Commissie de duur van de procedure en verhoogt de kosten, terwijl een gewone vertaling kan volstaan.

44 De Italiaanse regering verklaart dat deze vereisten in de praktijk normaal niet worden gesteld. Volgens een vaste bestuurspraktijk aanvaarden de bevoegde autoriteiten dat in plaats van het nationaliteitsbewijs afschriften van geldige persoonlijke documenten volstaan voor de erkenning. Verder worden aanzienlijk minder vertalingen gevraagd voorzover bij analoge verzoeken in vroegere erkenningsprocedures van diploma's reeds documenten met een identieke inhoud zijn overgelegd.

45 Dienaangaande heeft de Italiaanse regering zelf verklaard, dat de verplichte overlegging van een nationaliteitsbewijs en de verplichting om van alle documenten met betrekking tot het verzoek om erkenning voor eensluidend gewaarmerkte vertalingen te verstrekken, noch noodzakelijk zijn noch gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang.

46 De artikelen 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94 enerzijds en de artikelen 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en 10 van decreet nr. 776/94 anderzijds zijn dus niet verenigbaar met artikel 52 van het Verdrag.

De grief inzake verworven rechten

47 Artikel 12 van richtlijn 85/384 voorziet in een uitzondering op de minimumvoorschriften inzake opleiding van de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn. Elke lidstaat moet op grond van deze bepaling de titel van architect toekennen aan personen aan wie door een andere lidstaat een attest is afgegeven volgens hetwelk zij op het tijdstip van de tenuitvoerlegging van richtlijn 85/384 deze titel in de andere lidstaat mochten voeren, zelfs al voldoen deze personen niet aan bedoelde minimumvoorschriften.

48 Artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 erkent de titel van architect van personen die deze titel vóór de inwerkingtreding van het decreet, dat wil zeggen vóór 19 februari 1992, mochten voeren in een andere lidstaat.

49 Volgens de Commissie is de uiterste datum van geldigheid van de attesten die overeenkomstig artikel 12 van richtlijn 85/384 kunnen worden afgegeven, de datum waarop deze richtlijn in nationaal recht moet zijn omgezet, namelijk 5 augustus 1987.

50 De Italiaanse regering betoogt dat de verlenging van deze uiterste datum tot februari 1992 bij artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 het gevolg is van de laattijdige omzetting van de richtlijn. Zij heeft de betrokkenen een overgangstermijn willen bieden zoals die ook zou hebben gegolden ingeval de richtlijn tijdig was omgezet.

51 In dit verband moet de in artikel 12 van richtlijn 85/384 bedoelde "tenuitvoerlegging van deze richtlijn" worden uitgelegd als zijnde de datum waarop deze richtlijn uiterlijk had moeten zijn omgezet. Ingevolge artikel 31, lid 1, moest deze richtlijn binnen een termijn van vierentwintig maanden na de datum van de kennisgeving ervan, dus uiterlijk op 5 augustus 1987, zijn omgezet.

52 Bijgevolg kan een lidstaat die richtlijn 85/384 met vertraging heeft omgezet, de in artikel 12 van deze richtlijn bedoelde overgangsperiode niet verlengen.

.

53 Derhalve dient te worden vastgesteld, dat artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 in strijd is met artikel 12 van richtlijn 85/384.

De grief inzake het verbod om over een vaste infrastructuur te beschikken

54 Volgens de Commissie is artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92, op grond waarvan het in andere lidstaten gevestigde architecten die in Italië diensten wensen te verrichten, verboden is aldaar over een vaste infrastructuur te beschikken, in strijd met artikel 59 van het Verdrag.

55 Volgens de Italiaanse regering verduidelijkt dit verbod, dat de dienstverrichting van tijdelijke aard is. Artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 sluit niet uit dat een dienstverrichter over een vast steunpunt kan beschikken om de betrokken diensten te verrichten, mits deze structuur geen "hoofd- of nevenvestiging van een architectenbureau" wordt.

56 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het tijdelijke karakter van een dienstverrichting niet uitsluit dat een dienstverrichter in de zin van het Verdrag zich in de ontvangende lidstaat voorziet van een zekere infrastructuur (daaronder begrepen een bureau, een kantoor of een kabinet), wanneer die infrastructuur noodzakelijk is om de betrokken dienst te kunnen verrichten (arresten van 30 november 1995, Gebhard, C-55/94, Jurispr. blz. I-4165, punt 27, en 7 maart 2002, Commissie/Italië, C-145/99, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 22 en 23).

57 Bijgevolg is artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 niet verenigbaar met artikel 59 van het Verdrag, voorzover het algemene verbod waarin het voorziet, een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter belet zich in Italië van de voor de betrokken dienstverrichting noodzakelijke infrastructuur te voorzien.

De grief inzake de noodzaak zich in te schrijven in het register van de orde van architecten

58 Volgens artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 moeten architecten, ook om diensten te verrichten, ingeschreven zijn in de registers van de provinciale raden en van de nationale raad van de orde van architecten. Deze inschrijving geschiedt op kosten van de orde van architecten.

59 De inschrijvingsprocedure is geregeld in de artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94. Op verzoek van het Hof heeft de Italiaanse regering het verloop van deze procedure toegelicht. Voor de eerste dienstverrichting moet het verzoek om inschrijving vergezeld gaan van bewijzen betreffende de bekwaamheid van de aanvrager om het beroep van architect uit te oefenen en de daadwerkelijke uitoefening van dit beroep door de aanvrager in diens lidstaat van oorsprong, alsmede van een verklaring betreffende de aard en de vermoedelijke duur van de dienstverrichting en de vermelding van een eventuele tijdelijke vestiging. De raad waarbij het verzoek is ingediend, moet zich uitspreken binnen een termijn van 30 dagen. Voor de volgende verrichtingen wordt de vergunning automatisch verleend na overlegging van de voorafgaande verklaring. Inschrijving in het register van een provinciale orde geeft niet het recht diensten te verrichten in een andere provincie. De dienst kan pas worden verricht nadat de raad de inschrijving heeft goedgekeurd.

60 Volgens de Commissie is de verplichting tot inschrijving niet verenigbaar met artikel 22 van richtlijn 85/384 en artikel 59 van het Verdrag.

61 De Italiaanse regering stelt dat artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 in overeenstemming is met artikel 22, lid 1, derde alinea, van richtlijn 85/384, aangezien deze laatste bepaling de lidstaten machtigt een tijdelijke en automatische inschrijving op eenvoudig verzoek van de architect in te voeren. Deze regering merkt bovendien op dat de in artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 bedoelde inschrijving voor de dienstverrichter geen extra kosten meebrengt aangezien de lasten door de orde van architecten worden gedragen.

62 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de lidstaat van ontvangst volgens artikel 22, lid 1, derde alinea, van richtlijn 85/384 kan voorzien in een tijdelijke inschrijving in een register die automatisch plaatsvindt, op voorwaarde dat deze inschrijving het verrichten van diensten niet vertraagt of bemoeilijkt.

63 De inschrijving waarin de Italiaanse regeling voorziet, vertraagt echter het verrichten van diensten. Zo blijkt uit de door de Italiaanse regering verstrekte gegevens, dat de inschrijving in het register binnen een termijn van 30 dagen vanaf de indiening van het verzoek plaatsvindt en dat de eerste dienst pas na de daadwerkelijke inschrijving kan worden verricht.

64 Hieruit volgt dat de verplichting tot inschrijving waarin artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 voorziet, de eerste dienstverrichting van een architect vertraagt en dat zij dus niet verenigbaar is met artikel 22 van richtlijn 85/384. Bovendien wordt die dienstverrichting nog meer bemoeilijkt door de verplichting tot inschrijving in het register van elke provinciale orde in het ambtsgebied waarvan een dienst moet worden verricht.

65 Deze grief is dus eveneens gegrond.

De grief inzake de niet-tijdige erkenning van de titels binnen de termijnen

66 Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384 moet de procedure voor de erkenning van de titel van een architect van een andere lidstaat zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden na de indiening van het volledige dossier van de betrokkene voltooid zijn.

67 Volgens de Commissie kunnen de Italiaanse autoriteiten bovengenoemde termijn van drie maanden niet nakomen in de procedure van artikel 4, leden 6 tot en met 8, van decreet nr. 129/92. Zij verklaart dat zij dienaangaande klachten heeft ontvangen en haalt het voorbeeld aan van een Oostenrijkse architect die sinds 17 maart 1994 wacht op een beslissing van de Italiaanse autoriteiten op zijn verzoek.

68 De Italiaanse regering verklaart dat de meeste verzoeken binnen de gestelde termijn worden afgehandeld. Eventuele overschrijdingen van de termijn worden gerechtvaardigd door de in richtlijn 85/384 voorziene uitzonderingen. Zij zijn niet te wijten aan de Italiaanse autoriteiten, maar veeleer aan de omstandigheid dat personen die om erkenning van hun titel verzoeken, geen volledig dossier hadden ingediend. Dat geldt in het bijzonder voor de Oostenrijkse architect wiens geval door de Commissie wordt aangehaald.

69 Opgemerkt zij dat de Commissie de verklaring die de Italiaanse regering voor het geval van de Oostenrijkse architect heeft gegeven, niet heeft kunnen weerleggen. Volgens artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384 begint de termijn voor de erkenning niet te lopen indien de aanvraag onvolledig is.

70 Aangezien de Commissie de schending van artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384 niet concreet heeft bewezen, moet deze grief worden verworpen.

71 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 12, 22, 27 en 31 van richtlijn 85/384 en, wat het in artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 neergelegde verbod betreft, krachtens artikel 59 EG-Verdrag, door:

- niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, artikel 11, sub k, zevende streepje, alsmede artikel 14 van richtlijn 85/384/EEG,

- niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de automatische erkenning van diploma's, certificaten en andere titels te waarborgen overeenkomstig de artikelen 2, 3, 7, 8 en 9 van richtlijn 85/384,

- artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 vast te stellen, dat in strijd met de artikelen 52 en 59 van het Verdrag algemeen eist dat het verzoek om erkenning van een titel vergezeld gaat van het originele diploma of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van dit diploma,

- artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94 vast te stellen, die in strijd met artikel 52 van het Verdrag algemeen eisen dat het verzoek om erkenning van een titel vergezeld gaat van een nationaliteitsbewijs,

- artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94 vast te stellen, die in strijd met artikel 52 van het Verdrag in alle gevallen een officiële vertaling van alle bij een verzoek om erkenning van een titel gevoegde documenten eisen,

- artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 vast te stellen, dat in strijd met artikel 12 van richtlijn 85/384 voorziet in de erkenning van na 5 augustus 1987 verkregen titels,

- artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 te handhaven, dat in strijd met artikel 59 van het Verdrag in andere lidstaten gevestigde architecten die in Italië diensten wensen te verrichten, algemeen verbiedt op Italiaans grondgebied een hoofd- of nevenvestiging op te richten,

- in artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en de artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94 in andere lidstaten gevestigde architecten die in Italië diensten wensen te verrichten, te verplichten zich bij de territoriaal bevoegde provinciale raad van de orde van architecten in te schrijven, en met deze formaliteit in strijd met artikel 22 van richtlijn 85/384 de eerste dienstverrichting van deze architecten op Italiaans grondgebied te vertragen.

72 Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

73 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek op zeven van de acht door de Commissie aangevoerde grieven in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1) De Italiaanse Republiek is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 12, 22, 27 en 31 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 86/17/EEG van de Raad van 27 januari 1986 tot wijziging, in verband met de toetreding van Portugal, van richtlijn 85/384, en, wat het in artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129 van de president van de Republiek van 27 januari 1992 neergelegde verbod betreft, krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans na wijziging, artikel 49 EG), door

- niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, artikel 11, sub k, zevende streepje, alsmede artikel 14 van richtlijn 85/384,

- niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de automatische erkenning van diploma's, certificaten en andere titels te waarborgen overeenkomstig de artikelen 2, 3, 7, 8 en 9 van richtlijn 85/384,

- artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 vast te stellen, dat in strijd met de artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 59 van het Verdrag algemeen eist dat het verzoek om erkenning van een titel vergezeld gaat van het originele diploma of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van dit diploma,

- artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776 van de minister van Universiteiten en Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek van 10 juni 1994 vast te stellen, die in strijd met artikel 52 van het Verdrag algemeen eisen dat het verzoek om erkenning van een titel vergezeld van een nationaliteitsbewijs,

- artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94 vast te stellen, die in strijd met artikel 52 van het Verdrag in alle gevallen een officiële vertaling van alle bij een verzoek om erkenning van een titel gevoegde documenten eisen,

- artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 vast te stellen, dat in strijd met artikel 12 van richtlijn 85/384 voorziet in de erkenning van na 5 augustus 1987 verkregen titels,

- artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 te handhaven, dat in strijd met artikel 59 van het Verdrag in andere lidstaten gevestigde architecten die in Italië diensten wensen te verrichten, algemeen verbiedt op Italiaans grondgebied een hoofd- of nevenvestiging op te richten,

- in artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en de artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94 in andere lidstaten gevestigde architecten die in Italië diensten wensen te verrichten, te verplichten zich bij de territoriaal bevoegde provinciale raad van de orde van architecten in te schrijven, en met deze formaliteit in strijd met artikel 22 van richtlijn 85/384 de eerste dienstverrichting van deze architecten op Italiaans grondgebied te vertragen.

2) Het beroep wordt voor het overige verworpen. 3) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.

Aangehaalde artikelen