Art. 23 Richtlijn 85/384/EEG
1. Wanneer in een ontvangende Lid-Staat voorschriften gelden voor het voeren van de beroepstitel van architect voor een der in artikel 1 bedoelde werkzaamheden, voeren de onderdanen van de andere Lid-Staten die voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk II of van wie de in artikel 11 bedoelde diploma's, certificaten en andere titels krachtens artikel 10 zijn erkend de beroepstitel van de ontvangende Lid-Staat en maken zij gebruik van de afkorting van deze titel, in voorkomend geval na aan de aldaar geldende voorwaarden inzake praktijkervaring te hebben voldaan.
2. Indien in een Lid-Staat de toegang tot of de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de titel van architect afhankelijk is gesteld niet alleen van de voldoening aan de eisen van hoofdstuk II of van het bezit van een in artikel 11 bedoeld diploma, certificaat of andere titel, maar tevens van de voltooiing van een stage over een periode van bepaalde duur tijdens welke praktijkervaring wordt opgedaan, erkent de betrokken Lid-Staat een attest van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst waaruit blijkt dat gedurende een overeenkomende periode in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst passende praktijkervaring werd opgedaan als voldoende bewijs. Het in artikel 4, lid 1, tweede alinea, genoemde certificaat wordt als voldoende bewijs in de zin van dit lid erkend.