Art. 24 Zesde Richtlijn 77/388/EEG, Bijzondere regeling voor kleine ondernemingen
1. Lid-Staten die moeilijkheden zouden ondervinden bij het toepassen van de normale belastingregeling op kleine ondernemingen in verband met de activiteit of de structuur van die ondernemingen kunnen binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij vaststellen - maar onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging - vereenvoudigde regelingen voor belastingheffing en -inning , zoals forfaitaire regelingen , toepassen , zonder dat dit mag leiden tot vermindering van de belasting .
2. Tot een datum die door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld , doch die niet later mag vallen dan het tijdstip van afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten :
a) mogen Lid-Staten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 14 van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 bedoelde bevoegdheid om vrijstellingen of degressieve verminderingen van de belasting in te voeren , deze alsmede de desbetreffende uitvoeringsbepalingen handhaven , indien zij in overeenstemming zijn met het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde .
De Lid-Staten die een vrijstelling van belasting toekennen aan belastingplichtigen met een jaaromzet die minder bedraagt dan de tegenwaarde van 5 000 Europese rekeneenheden in nationale valuta tegen de omrekeningskoers geldend op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen , mogen die vrijstelling verhogen tot 5 000 Europese rekeneenheden .
De Lid-Staten die degressieve verminderingen van de belasting toepassen , mogen noch de bovengrens van die verminderingen verhogen , noch de voorwaarden voor de toekenning daarvan gunstiger maken ;
b) mogen Lid-Staten die van deze bevoegdheid geen gebruik hebben gemaakt , vrijstelling van belasting toekennen aan belastingplichtigen met een jaaromzet die ten hoogste gelijk is aan de tegenwaarde van 5 000 Europese rekeneenheden in nationale valuta tegen de omrekeningskoers geldend op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen . Eventueel kunnen zij een degressieve belastingvermindering toekennen aan belastingplichtigen wier jaaromzet het plafond overschrijdt dat door deze Staten voor de toepassing van de vrijstelling is vastgesteld ;
c) mogen de Lid-Staten die een vrijstelling van belasting toekennen aan belastingplichtigen met een jaaromzet gelijk aan of hoger dan de tegenwaarde van 5 000 Europese rekeneenheden in nationale valuta tegen de omrekeningskoers geldend op de dag waarop deze richtlijn wordt aangenomen , deze vrijstelling verhogen ten einde de reële waarde ervan te handhaven .
3. De begrippen " vrijstelling " en " degressieve belastingvermindering " zijn van toepassing op leveringen van goederen en diensten verricht door kleine ondernemingen .
De Lid-Staten kunnen bepaalde handelingen uitsluiten van de regeling van lid 2 . In ieder geval is lid 2 niet van toepassing op de handelingen bedoeld in artikel 4 , lid 3 .
4. De omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de bepalingen van lid 2 , wordt gevormd door het bedrag , exclusief belasting over de toegevoegde waarde , van de in de artikelen 5 en 6 omschreven goederenleveringen en diensten , voor zover deze belast zijn , met inbegrip van de handelingen die zijn vrijgesteld krachtens artikel 28 , lid 2 , met teruggaaf van de voorbelasting , alsmede door het bedrag van de krachtens artikel 15 vrijgestelde verrichte handelingen en door het bedrag van handelingen met betrekking tot onroerende goederen , van financiële handelingen als bedoeld in artikel 13 , B , sub d ) , van verzekeringsdiensten , tenzij die handelingen het karakter van bijkomstige handelingen bezitten .
Overdracht van lichamelijke of onlichamelijke investeringsgoederen van de onderneming worden evenwel niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de omzet .
5. De belastingplichtigen voor wie vrijstelling van belasting geldt , hebben geen recht op aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 en mogen evenmin op enigerlei wijze op hun facturen of op ieder als zodanig dienst doend document de belasting vermelden .
6. De belastingplichtigen die in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van belasting kunnen kiezen hetzij voor toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde , hetzij voor toepassing van de in lid 1 genoemde vereenvoudigde regelingen . In dit geval gelden voor hen de degressieve belastingverminderingen waarin de nationale wetgeving eventueel voorziet .
7. De belastingplichtigen voor wie degressieve belastingvermindering geldt , worden , behoudens de toepassing van het bepaalde in lid 1 , beschouwd als belastingplichtigen vallende onder de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde .
8. De Commissie brengt , na raadpleging van de Lid-Staten , om de vier jaar , voor het eerst op 1 januari 1982 , aan de Raad verslag uit over de toepassing van dit artikel . Zo nodig voegt zij , rekening houdend met de noodzaak van uiteindelijke convergentie van de nationale regelingen , bij dit verslag voorstellen betreffende :
a) de in de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen aan te brengen verbeteringen ;
b) de aanpassing van de nationale regelingen inzake vrijstellingen en degressieve verminderingen van de belasting over de toegevoegde waarde ;
c) de aanpassing van het in lid 2 bedoelde maximum van 5 000 ERE .
9. De Raad zal te gelegener tijd bepalen of het , voor de verwezenlijking van de in artikel 4 van de eerste richtlijn van de Raad van 11 april 1967 omschreven doelstelling , nodig is een bijzondere regeling voor kleine ondernemingen in te voeren ; in voorkomend geval zal hij tevens een beslissing nemen over de grenzen en de gemeenschappelijke toepassingsvoorwaarden van deze regeling . Tot aan de invoering van een dergelijke regeling mogen de Lid-Staten hun eigen bijzondere regelingen handhaven en moeten zij deze toepassen in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en van latere besluiten van de Raad .