Art. 6 Tweede Richtlijn 77/91/EEG
1. Voor de oprichting van de vennootschap of voor het verkrijgen van de toestemming om haar werkzaamheden aan te vangen , vereisen de wetgevingen van de Lid-Staten een minimumbedrag aan geplaatst kapitaal dat niet op een lager bedrag dan 25 000 Europese rekeneenheden mag worden vastgesteld .
De Europese rekeneenheid is die welke in Beschikking nr . 3289/75/EGKS van de Commissie ( 4 ) is vastgesteld . De tegenwaarde in de nationale munteenheid is aanvankelijk die welke geldt op de dag waarop deze richtlijn is aangenomen .
2. Indien de tegenwaarde van de Europese rekeneenheid in een nationale munteenheid zodanig wordt gewijzigd dat het bedrag van het in de nationale munteenheid vastgestelde minimumkapitaal gedurende een jaar beneden de 22 500 Europese rekeneenheden blijft , stelt de Commissie de betrokken Lid-Staat ervan in kennis dat hij zijn wettelijke voorschriften binnen twaalf maanden na het verstrijken van dat tijdvak aan lid 1 dient aan te passen . De Lid-Staat kan evenwel bepalen dat de aanpassing van zijn wetgeving pas achttien maanden na de inwerkingtreding van deze aanpassing van toepassing wordt op reeds bestaande vennootschappen .
3. De Raad gaat om de vijf jaar , op voorstel van de Commissie , over tot onderzoek naar en in voorkomend geval tot herziening van de in dit artikel genoemde , in Europese rekeneenheden uitgedrukte bedragen , rekening houdend met de economische en monetaire ontwikkelingen in de Gemeenschap enerzijds en met de neiging om de keuze van de in artikel 1 , lid 1 , genoemde vennootschapsvormen voor te behouden aan grote en middelgrote bedrijven anderzijds .