Art. 9 Tweede Richtlijn 77/91/EEG
1. Indien bij de oprichting van de vennootschap of op het tijdstip waarop de vennootschap toestemming krijgt om haar werkzaamheden aan te vangen , aandelen worden uitgegeven tegen inbreng , moet ten minste 25 % van de nominale waarde of , bij gebreke van een nominale waarde , van de fractiewaarde worden gestort .
2. Indien bij de oprichting van de vennootschap of op het tijdstip waarop zij toestemming krijgt om haar werkzaamheden aan te vangen , aandelen worden uitgegeven tegen inbreng anders dan in geld , moet deze inbreng evenwel binnen vijf jaar na de oprichting of het verkrijgen van de toestemming worden volgestort .