Art. 4 Richtlijn 75/34/EEG
1. Het bij voortduring woonachtig zijn , bedoeld in artikel 2 , lid 1 , en artikel 3 , lid 2 , kan met alle in het land van de woonplaats gebruikelijke bewijsmiddelen worden aangetoond . Perioden van tijdelijke afwezigheid die in totaal niet meer dan 3 maanden per jaar bedragen en afwezigheid van langere duur wegens het vervullen van militaire dienst kunnen het voortdurend karakter ervan niet aantasten .
2. De tijdvakken van staking van de werkzaamheid buiten de wil van de betrokkene en van niet-werkzaamheid wegens ziekte of ongeval dienen te worden beschouwd als tijdvakken van werkzaamheid in de zin van artikel 2 , lid 1 .