Art. 2 Richtlijn 75/34/EEG

Richtlijn 75/34/EEG

1. Iedere Lid-Staat kent het recht op duurzame voortzetting van het verblijf op zijn grondgebied toe aan :

a) hem die , op het tijdstip dat hij zijn werkzaamheid staakt , de leeftijd heeft bereikt waarop overeenkomstig de wetgeving van die Staat aanspraak op ouderdomspensioen kan worden gemaakt en die ten minste gedurende de twaalf voorafgaande maanden zijn werkzaamheid in dat land heeft uitgeoefend en aldaar meer dan drie jaar voortdurend heeft gewoond . Ingeval de wetgeving van die Lid-Staat aan bepaalde categorieën van anders dan in loondienst werkzame personen geen recht op ouderdomspensioen toekent , wordt de leeftijdsvoorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer de begunstigde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt ;

b) hem die sinds meer dan twee jaar voortdurend woonachtig is op het grondgebied van die Lid-Staat en ophoudt daar zijn werkzaamheid uit te oefenen als gevolg van een blijvende arbeidsongeschiktheid .

Indien die arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte op grond waarvan de betrokkene recht heeft op uitkeringen die geheel of gedeeltelijk ten laste komen van een instelling van die Lid-Staat , vervalt iedere voorwaarde met betrekking tot de duur van het verblijf ;

c) hem die na drie jaar bij voortduring werkzaam en woonachtig te zijn geweest op het grondgebied van die Lid-Staat , zijn werkzaamheid uitoefent op het grondgebied van een andere Lid-Staat , met behoud van zijn woonplaats op het grondgebied van de eerste Lid-Staat waarnaar hij in beginsel iedere dag of ten minste eenmaal per week terugkeert .

De aldus vervulde tijdvakken van werkzaamheid op het grondgebied van een andere Lid-Staat worden voor de verkrijging van de sub a ) en b ) bedoelde rechten beschouwd te zijn vervuld op het grondgebied van de Lid-Staat waar de betrokkene woonachtig is .

2. De in lid 1 , sub a ) , gestelde voorwaarden met betrekking tot de duur van woonachtigheid en werkzaamheid en de in lid 1 , sub b ) , gestelde voorwaarde inzake de duur van woonachtigheid mogen niet worden vereist indien de echtgenoot van de anders dan in loondienst werkzame persoon onderdaan is van de betrokken Lid-Staat of de nationaliteit van die Lid-Staat ten gevolge van zijn huwelijk met de betrokkene heeft verloren .

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen