Art. 4 Richtlijn 70/457/EEG

Richtlijn 70/457/EEG

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor , dat een ras slechts wordt toegelaten indien het onderscheidbaar , bestendig en voldoende homogeen is . Het ras moet voldoende cultuur - en gebruikswaarde bezitten .

2. Een onderzoek van de cultuur - en gebruikswaarde is niet noodzakelijk

a) voor de toelating van grasrassen , indien de kweker verklaart dat het zaaizaad van zijn ras niet bestemd is voor de teelt van voedergewassen ,

b) voor de toelating van rassen waarvan het zaad bestemd is voor verkoop in een andere Lid-Staat die deze rassen mede op grond van hun cultuur - en gebruikswaarde heeft toegelaten .