Art. 15 Richtlijn 70/457/EEG

Richtlijn 70/457/EEG

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat zaaizaad en pootgoed van rassen , welke na 1 juli 1972 in ten minste één Lid-Staat overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn zijn toegelaten , na 31 december van het tweede jaar volgende op dat waarin het is toegelaten , aan geen enkele handelsbeperking ten aanzien van het ras wordt onderworpen .

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een Lid-Staat die zulks verzoekt , voor het verstrijken van bovenbedoelde termijn volgens de procedure van artikel 23 worden gemachtigd de handel in zaaizaad en pootgoed van het desbetreffende ras op zijn gehele grondgebied of een deel daarvan te verbieden .

3. De in lid 2 bedoelde machtiging kan slechts worden verleend in de volgende gevallen :

a) indien het ras niet onderscheidbaar , bestendig of voldoende homogeen is , of

b) indien het bewijs wordt geleverd dat de teelt van dit ras in fytosanitair opzicht schadelijk is voor de teelt van andere rassen of gewassen , of

c) wanneer op basis van een officieel in de aanvragende Lid-Staat in overeenkomstige toepassing van artikel 5 , lid 4 , verricht onderzoek te velde is geconstateerd dat het ras op zijn grondgebied nergens de resultaten oplevert die werden verkregen met een ander vergelijkbaar ras dat op het grondgebied van die Lid-Staat is toegelaten .

4. Indien een Lid-Staat voor een bepaald ras niet het voornemen heeft een verzoek in te dienen overeenkomstig de procedure van lid 2 , deelt hij zulks aan de Commissie mede of legt hij een verklaring in die zin af in het Permanent Comité voor teeltmateriaal .

5. Wanneer alle Lid-Staten de in lid 4 bedoelde mededeling of verklaring hebben gedaan , respectievelijk afgelegd , geldt de termijn van lid 1 niet langer en wordt artikel 18 toegepast .

6. Indien een ras ten * n zijn toelating in een Lid-Staat eveneens wordt onderzocht in een andere Lid-Staat met het oog op zijn toelating , wordt de in lid 1 genoemde termijn voor laatstgenoemde Lid-Staat verminderd met de duur van genoemd onderzoek .

7. De in lid 1 bedoelde termijn kan voor zijn verstrijken volgens de in artikel 23 bedoelde procedure worden verlengd , indien hiervoor een gegronde reden aanwezig is .