Art. 13 Richtlijn 70/457/EEG
1. De Lid-Staten dragen er zorg voor , dat de toelating van een ras wordt ingetrokken ,
a) indien bij het onderzoek is aangetoond dat een ras niet meer onderscheidbaar , bestendig of voldoende homogeen is ,
b) op verzoek van de voor het ras verantwoordelijke persoon of personen , tenzij een instandhouding verzekerd blijft .
2. De Lid-Staten kunnen de toelating van een ras intrekken ,
a) wanneer de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die uit hoofde van deze richtlijn zijn vastgesteld , niet worden nagekomen ,
b) wanneer bij de aanvraag tot toelating of bij het onderzoek onjuiste of misleidende inlichtingen zijn verstrekt ten aanzien van feiten waarvan de toelating afhankelijk is gesteld .