Art. 16 Verordening (EEG) nr. 1612/68

Verordening (EEG) nr. 1612/68

1. Iedere tot de diensten voor de arbeidsvoorziening van een Lid-Staat gerichte aanbieding van werk, waaraan de nationale arbeidsmarkt niet kan voldoen en die in aanmerking kan komen voor communautaire compensatie op basis van de in artikel 15 bedoelde opgaven, wordt medegedeeld aan de bevoegde diensten voor de arbeidsvoorziening van de Lid-Staat die heeft gesignaleerd dat er arbeidskrachten in hetzelfde beroep beschikbaar zijn.

2. Deze diensten voor de arbeidsvoorziening zenden de nauwkeurig omschreven en in aanmerking komende aanvragen om werk toe aan de diensten van de eerste Lid-Staat. Gedurende een termijn van 18 dagen na ontvangst van de aanbieding door de diensten van de tweede Lid-Staat worden deze aanvragen om werk aan de werkgevers voorgelegd met dezelfde voorrang ten opzichte van onderdanen van niet-Lid-Staten als aan de nationale werknemers wordt toegekend.

Gedurende bovengenoemde termijn worden de aanbiedingen van werk slechts tot niet-Lid-Staten gericht indien het aantal beschikbare werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staten voor het betrokken beroep onvoldoende wordt geacht door de Lid-Staat die over deze aanbiedingen beschikt.

3. De bepalingen van lid 1 zijn niet van toepassing op aanbiedingen van werk, gericht aan werknemers die onderdaan zijn van niet-Lid-Staten: a) indien deze aanbiedingen op naam zijn gesteld en van bijzondere aard zijn op grond van: i) redenen die verband houden met het beroep en die betrekking hebben op de specialisatie, het vertrouwelijke karakter van de aangeboden betrekking of vroegere beroepsbindingen;

ii) familiebanden, hetzij tussen de werkgever en de gevraagde werknemer, hetzij tussen deze laatste en een werknemer die ten minste sedert een jaar regelmatig in de onderneming werkzaam is.

Het bepaalde sub i) en ii) wordt toegepast overeenkomstig de bijlage van deze verordening;

b) indien deze aanbiedingen wervingen betreffen van homogene groepen seizoenarbeiders waartoe ten minste een lid behoort voor wie een op naam gestelde aanbieding is bestemd;

c) indien deze aanbiedingen uitgaan van werkgevers en betrekking hebben op werknemers die respectievelijk wonen in grenszones, gelegen aan weerszijden van een gemeenschappelijke grens tussen een Lid-Staat en een niet-Lid-Staat;

d) indien de aanbiedingen die uitdrukkelijk zijn bedoeld voor werknemers uit niet-Lid-Staten, terwille van de goede functionering van de onderneming door de werkgever worden gehandhaafd na tussenkomst van de diensten voor de arbeidsvoorziening met het oog op de tewerkstelling van nationale of uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap afkomstige werknemers en indien deze diensten de door de werkgever aangevoerde redenen gerechtvaardigd achten.