Art. 12 Verordening (EEG) nr. 1612/68
De kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, worden, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding.
De Lid-Staten moedigen de initiatieven aan, waardoor deze kinderen dit onderwijs in zo gunstig mogelijke omstandigheden kunnen volgen.
TWEEDE DEEL TOT ELKAAR BRENGEN EN COMPENSATIE VAN AANBIEDINGEN VAN EN AANVRAGEN OM WERK