Art. 21 Verordening (EEG) nr. 1017/68, Bevoegdheid van de Commissie tot verificatie
1. Ter vervulling van de taken welke haar zijn opgedragen in deze verordening , kan de Commissie alle noodzakelijke verificaties verrichten bij ondernemingen en ondernemersverenigingen .
Te dien einde beschikken de personeelsleden van de Commissie , die in haar opdracht handelen , over de volgende bevoegdheden :
a) het controleren van de boeken en bescheiden van het bedrijf ;
b) het maken van afschriften of uittreksels uit deze boeken en bescheiden ;
c) het ter plaatse vragen van mondelinge inlichtingen ;
d) het betreden van alle lokaliteiten , terreinen en vervoermiddelen der ondernemingen .
2. De personeelsleden die door de Commissie met het uitvoeren van deze verificaties zijn belast , oefenen hun bevoegdheden uit op vertoon van een schriftelijke opdracht , waarin melding wordt gemaakt van onderwerp en doel der verificaties , alsmede van de sanctie waarin artikel 22 , lid 1 , sub c ) , voorziet voor het niet volledig tonen van de ter inzage gevraagde boeken of bescheiden . Voordat de verificatie plaatsvindt , stelt de Commissie tijdig de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan een verificatie moet worden verricht , in kennis van de opdracht tot verificatie en van de identiteit der personeelsleden die met de uitvoering van deze opdracht zijn belast .
3. De ondernemingen en ondernemersverenigingen zijn verplicht zich te onderwerpen aan de verificaties welke de Commissie bij beschikking heeft gelast . Deze beschikking maakt melding van onderwerp en doel van de verificatie , geeft de datum aan waarop de verificatie een aanvang neemt en wijst op de in artikel 22 , lid 1 , sub c ) , en in artikel 23 , lid 1 , sub d ) , voorziene sancties alsmede op het recht om tegen de beschikking in beroep te gaan bij het Hof van Justitie .
4. Alvorens een beschikking te geven als bedoeld in lid 3 hoort de Commissie de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de verificatie moet worden verricht .
5. De functionarissen van de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de verificatie moet worden verricht , kunnen , op verzoek van deze autoriteit of van de Commissie , de personeelsleden van de Commissie bijstaan bij het vervullen van hun opdracht .
6. Wanneer een onderneming zich verzet tegen een verificatie waartoe krachtens dit artikel opdracht is gegeven , verleent de betrokken Lid-Staat de nodige bijstand aan de personeelsleden aan wie de Commissie opdracht tot verificatie heeft gegeven , ten einde hun de vervulling van deze opdracht mogelijk te maken . Tot dit doel nemen de Lid-Staten v}}r 1 januari 1970 , na raadpleging van de Commissie , de nodige maatregelen .