ABRvS 29 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7273
Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 5 augustus 2008 heeft overwogen, bieden de bewoordingen van art. 7, lid 2 van de Definitierichtlijn geen grond voor het oordeel dat het bestaan van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, een zelfstandig criterium is voor de beantwoording van de vraag of bescherming wordt geboden, in die zin dat die vraag altijd ontkennend moet worden beantwoord als van een dergelijk doeltreffend juridisch systeem geen sprake is. De minister heeft aan de hand van informatie over de algemene situatie in Wit-Rusland onderzocht, of aldaar in het algemeen bescherming wordt geboden en zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Anders dan de Rb. heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet zonder nader onderzoek op dat standpunt heeft kunnen stellen. Uit de door de minister aangehaalde stukken blijkt dat, hoewel corruptie bij de politie in Wit-Rusland op grote schaal voorkomt en daartegen vaak niet wordt opgetreden, de mogelijkheid bestaat hierover bij de hogere autoriteiten een met de nodige waarborgen omgeven klacht in te dienen. Dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat, brengt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 30 mei 2011 in zaak nr. 200909548/1/V2; www.raadvanstate.nl), niet reeds met zich dat in feite geen bescherming kan worden verkregen.
De uitspraak op rechtspraak.nl